Niemand is een eiland, want de zee brengt ons tesamen
2000
 
 
 
   
 

Wie Wat Wanneer?

Niemand is een eiland, want de zee brengt ons tesamen
een dansende theater-vertelling

Voor kinderen en hun familie vanaf 10 tot 100 jaar.
Première: 20 & 21 oktober 2000: Akteerstudio, Leuven
Speelperiode: 2000 - 2001

Tekst: Philip Demeester
Regie, choreografie & vormgeving: Philip Demeester
Dans & spel: Vera Van den Berghe
Dramaturgie: Vera van den Berghe & Philip Demeester
Fotografie: Marleen Peeters
Productie: dans/theaterlabo het AFFRONT

 
   
 

Inhoud

Midden in de diep en blauwe Zuidzee ligt een eiland. Planten en dieren, vogels en vlinders worden er overschaduwd door vier versteende, starre, eenzame kolossen.
Een storm werpt een piepklein bootje op het strand, en daarin: een hip hop vrolijk meisje met een dansende buik.
Meisje en eiland maken kennis, maar de beelden blijven stoer, verzonken in hun eigen groot gelijk.
Zal het hip hop vrolijk meisje met haar dansende buik de stenen beelden weer tot leven kunnen wekken?
En waarom noemen ze haar eigenlijk 'dolfijn'?
En wat is de kleur van haar bootje?

 
   
 

Motivatie

De eigenheid van ons werk ligt in de zoektocht naar een heel eigen kwetsbare dialoog met ons publiek, dat wij graag als neutraal vrouwelijk willen omschrijven.
Onze projecten zijn dan ook kleinschalig, en kunnen slechts ontstaan in de specifieke vertrouwensrelatie die we opbouwen met het publiek
Ook 'Niemand is een eiland (want de zee brengt ons bijeen)' wil dit pad van een eerlijke dialoog bewandelen.

We willen een volwassen gesprek aangaan met de kinderen rond het thema: "over luisteren met je lijf, denken met je hart en voelen met je verstand.".
Of, anders uitgedrukt: over de verstarring van de Grote Waarheid, het kleine léven, en het plezier om van mening te verschillen.

 
   
 

De volledige tekst

Niemand is een eiland
( want de zee brengt ons tesamen)
- een parabel -

Proloog: De zee

op de schuimkoppen van de golven
dreef het vuil en smerig kwaad
de zee was woest ze beukte op het strand
en sloeg haar koppen op het zand

de zee had pijn ze kreunde diep
het vuil dat op het strand bleef liggen
werd steeds weer aangevuld
van op het land het vuile land
de zee leek vies en vuil en lelijk
het schuim stond op haar mond

ze kreunde diep en vol van pijn
en zacht klonk met de wind haar stem
het leek de stem van grombiepot
maar lager nog en dieper
en met meer tranen in de wind

toen zag de zee mij aan het strand
en ging heel even liggen
heel even maar als moest ze huilen
ze vertelde mij een mooi verhaal
en of ik het aan jou vertellen wou

dat zei de zee en dat ze moe was
zo onwaarschijnlijk onrechtvaardig moe
en dat zij toch niet slapen kon

want dat het vuil zo knarste als het zand
en in haar ogen sneed als messen
dat ze tranen huilde van de pijn
en schuimenbekkend met haar koppen
op het land sloeg als op steen

maar erger nog zo zei de zee
dat waren woorden vuile woorden
gemeen en zwaar en rood en kwaad
woorden donker als de dood
woorden vol haat vol afkeer en vol ruzie
woorden die maar riepen, altijd weer:

“ik heb gelijk het groot gelijk
en al de rest zijn stomme klotewoorden
sla ze neer verbrandt die woorden
ik ben jouw god verdrijf de rest
ik blijf de waarheid en het leven
ik schrijf het boek gom uit de rest”

zo spraken alle woorden alle zinnen alle boeken
en rukten bij elkaar de haren uit het lijf

dat zei de zee die koppijn had van al die ruzie
dat zei de zee en zuchtte diep:
“laat de woorden toch in vrede leven
laat ze toch verhalen vinden
en vertellen in de wind
zodat het land opnieuw kan dromen
en groener worden dan de blauwe lucht
verzuur niet langer lucht en zee en land en taal
maar luister naar elkaars verhaal”

dat zei de zee die zuchtte als een grombiepot
ze liet een traan en zuchtte diep
ze keek naar mij en met een knipoog:
“blijf jij maar dromen zwem in mij
en word een ruiter naar de zon”

toen stak de wind op en de regen
plenste over mijn gezicht
ik liep rond en rond en draaide als een tol
en danste in het zand en lachte in de wind
ik ontwaakte in een droom

 

I. Exposée

1. De zee

Golven, blauw als lucht, wit als wolken, groen als bomen...
zachter dan het wiegen van de zee...
wilder dan de stormen in mijn hart...

2. Het eiland

Het eiland bloeit van de bomen en de bloemen en de planten... En de vogels, de vlinders en de dieren léven er, alsof ze eeuwig met vakantie zijn...

Het strand is goudgeel als de middagzon, en het vlijt zich naar de zee, alsof het zeggen wil: “Wij laten ons door jou omarmen...”

4. Het meisje: dolfijn regenboog

Midden in de diepblauwe zuidzee dobbert een piepklein kleurig en hip hop bootje vrolijk op de golven. En in dat bootje woont een meisje, heel alleen. Het meisje heet: isabelle jonkvrouw eva-maria iris regenboog van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel. Maar de vogels en de vissen, de dieren en de planten, de sterren en de hemel noemen het meisje liever: ‘dolfijn’. Dat is eenvoudiger.

Haar ogen schijnen blauw als de zee, haar haar schittert als het goud van de zon en haar huid is bleek als de maan.

Als ze naar het eiland kijkt, dan kriebelt het en wiebelt het in haar buik, dan klopt haar hart sneller dan de wind, dan tintelen en schitteren en fonkelen haar ogen als de sterren in de nacht. Ze noemt het: ‘het eiland van de zwemmende vogels en de vliegende vissen.’ De vlinders en de bloemen vinden dit wat vreemd, maar de vogels en de vissen vinden deze naam te gek.

 

II. Vraagstelling

a. de beslissing

Op een dag als een ander dobbert dolfijn met haar bootje op de golven. Bloemen bloeien in haar hart en vlinders fladderen in haar buik. Vandaag vaart ze erheen. Vandaag zal het gebeuren...

Ze neemt de paddels en de peddels, de roeispanen en de riemen, de schoepen en de schroeven, en met de kracht van haar armen en de liefde in haar buik, wendt ze de steven van haar hip hop kleurig bootje naar het verre eiland, en roeit en trekt en draait en kreunt. Haar spieren worden moe en zuur, het zweet stroomt van haar hoofd, en van haar hele lijf.

Maar het hart van Dolfijn en haar liefde zijn veel groter dan de pijn, dus trekt en duwt en draait ze als de beesten. Maar het verre eiland komt niet nader.

b. de storm

De golven schuimbekken als woeste beren, de wolken dreigen bruin als modder, de lucht grommelt als een draaikolk en de wind giert en tuit dat het pijn doet aan de oren.

Dolfijn vindt dit niet fijn. Zelfs de vlinders in haar buik vluchten weg
“Waar is het eiland...?”
“Waar is het strand? Waar zijn de planten en de vogels...?”

Dolfijn roeit en roeit... Maar het bootje schiet omhoog en valt weer neer. Ze roeit uit alle macht en trekt en duwt en kreunt tot ze erbij neervalt.

“Lieve dolfijn kom me helpen. Help me naar het eiland. Leer mij vliegen...”

Een oogverblindend licht, scherper dan een pijl. Afgebakend en alleen staat een torenhoge reus tegen de schuimbekkende golven. Een sterk en dreigend beeld, half verzonken in het land.

Dolfijn springt op en zwaait met haar handen, molenwiekend in de wind. Zo heftig zwaait ze dat het bootje bijna omslaat in de kolkende zee. Ze roept en tiert en gilt en buldert. Maar het beeld geeft geen kik. Het knippert niet eens met de ogen. Het staart voor zich uit. Star en stijf alsof de wereld niet verging, alsof dolfijn niet in gevaar was, alsof het eiland vredig was en de zee vol rust...

“Lieve dolfijn, help me toch, leer me vliegen..”

Dolfijn roeit en trekt en sleurt en kreunt uit volle macht, maar ze raakt niet bij het eiland.

Weer boort de zon door de wolken en verlicht een tweede beeld... En weer roept en tiert en schreeuwt dolfijn. Maar het beeld staart in de lucht, star en stoer alsof de storm niet eens bestond. Dolfijn huilt tranen in de zee. Woest en wild en ongetemd sleurt de storm het bootje ook voorbij een derde en een vierde beeld.Het hart van dolfijn galoppeert als een hollend paard vol hoop, maar ook het derde beeld geeft niet thuis en het vierde lijkt al even dood.

Uitgeput verliest dolfijn het bewustzijn.

c. het verkennen van het eiland

Langzaam opent iris, bijgenaamd dolfijn, de ogen. Het bootje dobbert voor het goudgele strand van het groene eiland.

Iris duikt het water in en zwemt en spartelt crawlt en vlindert naar het strand. Verwonderd en vol blijheid verkent ze heel het eiland. Ze huppelt, danst en springt, ze vlindert en ze vliegt. Van hier naar daar van hort naar her van bloem naar boom, van plant naar dier. En elke boom, elke bloem, elke vogel groet uitgebreid terug.

Tot laat in de nacht loopt iris het hele eiland af. Ze kijkt en praat en ruikt en voelt en streelt en luistert...

Alleen de beelden staan die nacht alleen. Alleen voor zich, alleen. Triestig, stom, verlaten.

Uiteindelijk dekt de nacht het eiland toe. In het deken van een diepe slaap droomt het meisje zacht haar droom:

III Een van de vele antwoorden

a. Milsom, de geënerveerde oude

De volgende ochtend ontwaakt isabelle van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel samen met de zon en met een fris gevoel. Zingend als een merel borstelt ze haar lange haren tot ze schitteren als de zon. Ze kiest haar zoetste glimlach uit.

Want vandaag moét ze met de beelden praten.

Het eerste beeld ziet groen als het gewaad van een profeet en staat pal in het ochtendlicht. Het kijkt naar het oosten, waar de zon samen met de ochtend opduikt uit het water. Zwijgend staart het voor zich uit .

“Dag groene ochtendman. Ik kom eens met je praten...”

“Isabelle jonkvrouw eva-maria iris regenboog van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel.... Maar iedereen noemt me: ‘dolfijn’, en ik zou het dol-fijn vinden moest je met me willen praten.”

“Jamaar, groene ochtendman, ik heb gepeddeld en gepaddeld, geroeid en zwaar gezwoegd, en zelfs een storm heb ik doorstaan. Met alle planten, alle dieren heb ik al gepraat, en nu is het écht jouw beurt. Ik blijf hier tot je met mij praat, tot je je lippen van elkaar haalt, de lucht uit je longen blaast, je mond beweegt en antwoordt.”

“Milsom is my name indeed, en het spijt me voor het wachten. Eeuwen heb ik niet gepraat. En ik weet niet of ik wel weer praten wil...”

Isabelle staat op springen, om te dansen en te gillen, om te juichen en te zingen. Maar ze is bang om de groene ochtendman te verschrikken. Ze is bang dat hij niets meer zegt en eeuwig zwijgt. Dus knijpt ze de benen dicht, drukt haar armen tegen haar lijf en perst de lippen op elkaar. Bijna lijkt ze op het beeld...

“... And you are the virgin I presume...”

“Jawel, jawel, that’s me. Snoepsiedepoepsie, bibabeloeba, tutsifrutsi, groene ochtendman, scoubidouba, pingelong pingelong pingelong pong pong...”

Maar dan valt het gesprek stil

“Milsom, waarom heb je mij niet geholpen toen de storm me meedroeg, en ik naar je zwaaide en jou riep?”

“Er was eens een reuzengrote wereld, en die wou ik beter maken. Stormenderhand wou ik de mensen overtuigen van mijn liefde. Woorden, zinnen, brieven, boeken spoot ik om mij heen. ‘Openheid’, ‘gelijkheid’, ‘tolerantie’ en het verbod de waarheid voor zich op te eisen.

Geweld pleegden ze op mijn woorden. Ze verzwegen en verboden, verwrongen en verscheurden ze. Alleen haat bleef over en een oorlog die in niets meer heilig was.

Altijd weer probeerde ik, maar moe werd ik en moedeloos. Geen woord zou ik nog spreken. Zo sta ik hier al eeuwen.

“Ja maar, het is heel lief dat je toch met mij wil praten, maar waarom wou je mij niet helpen in de storm?”

Mijn ziel verkrampte, het bloed trok uit mijn lijf, de pijn stroomde door mijn hart, mijn lippen persten op elkaar en ik versteende van de angst. Zo bang ben ik van woorden, en het misbruik ervan...

“Het spijt me, dat woorden zo te stelen zijn. Maar als jij het wil, dan kom ik nu en dan vertellen met mijn lijf. Dan weet je zonder woorden, dat het goed is hier te leven, en dat het eiland vol vrede is...”

Milsom, zucht dieper dan de wind en knipoogt, groot maar langzaam naar Isabelle. Isabelle flikflakt met een salto, springt de lucht vol gaten en ontploft van puur geluk.

b. Netsirk, de geïsoleerde succesvolle

Eva-maria verschijnt, samen met de zon, dansend in de linker ooghoek van het tweede beeld.

Het beeld is diepblauw als de zuidzee en blauwer dan de hemel. Het kijkt uit naar het zuiden, waar de zon ‘s middags aan de hemel staat. Zo hoog trekt de zon voorbij dat het beeld steil naar boven kijkt, met de neus in de wind en de ogen pal naar boven. Het beeld is van steen en heeft een stijve nek.

“Dag blauwe hemelstaarder. Ik ben isabelle jonkvrouw eva-maria iris regenboog van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel, en ik kom eens met je praten...”

“Dááááááág gróóóte blauwe hemelstááárder. Ik kóóóm met jou prááááááten.”

Eva-maria danst en springt en roept en tiert. Ze tolt om haar as, staat op haar hoofd, staat op haar voeten, zwaait met de armen, zwaait met de benen... Maar niets helpt.

Het is duidelijk dat die stijve hark eva-maria nog niet kent. Ze klimt tegen het beeld op tot in zijn oor.

“Hallo!!!! Niemand Thuis???”

“Héééé, blauwkop, wakker worden!

Vlug klimt ze uit het flapoor, langs de gladgeschoren wang, tot op de enorme neus van het blauwe beeld.

Eva-maria gaat op de toppen van haar tenen staan, kruipt bijna in het rechteroog en gesticuleert: “Hallo?”

“Netsirk”

“Netsirk?
“Jonkvrouw Eva-Maria? Klinkt me bekend in de oren, van toen ik nog een lichaam had... Dan ben jij opgenomen in de eeuwigheid. Daag.”

“Netsirk, hou daar mee op. Antwoord liever.”

“Ik ben de weg, de waarheid en het leven. En de waarheid ligt hier ver vandaan, in het eeuwig eeuwig leven. En door de hemel loopt de weg daarheen.”

“Hemeltje lief die is nog erger dan ik dacht.”

“Zeg Netsirk, weet je eigenlijk nog wel hoe de zee eruitziet, met de vliegende dolfijnen, en de golven en de meeuwen?”

“Natuurlijk weet ik dat, ik aanschouw hun wezen en idee al sinds de eeuwigheid.”

“Jamaar, weet je wel hoe échte dolfijnen eruit zien? En wat is de kleur van mijn bootje? En hoeveel vlinders fladderen er vandaag zo rond je neus? En wat vind je van mijn haar?”

“Ach god - vergeef mijn taalgebruik”

“Ziejewel, ziejewel, ziejewel, zelfs jij maakt fouten, dus kan het heel goed zijn dat alleen maar naar de hemel staren fout is, en dat je ook naar de echte wereld moet kijken, naar de echte zee, naar de echte ik. Dan zie je het als ik godv... - als ik als ik als ik bijna verdrink en...”

Netsirk zwijgt. Voor eeuwig, lijkt het wel.

“Netsirk?!”
“Netsirk, ik kom elke dag je rug masseren en je nek, tot je niet meer stijf bent als een plank. Tot je naar beneden kunt kijken en de zee kunt zien, en ik daarin met mijn bootje en de vissen. Elke dag kom ik.”

Meteen voegt ze de daad bij het woord. Ze begint te stampen en te stompen, te dansen en te springen, te duwen en te trekken dat het wel een circus lijkt. Ze stompt en stampt en flipt en wipt en springt en Netsirk denkt: ‘wat jeukt die kleine vlieg’.

Moe van het dansen en het springen glijdt ze van de rug van Netsirk. Ze vlijt zich neer, pal voor zijn gezicht, in de schaduw van zijn neus. Daar waar hij haar lekker niet kan zien maar wel kan horen. Ze strekt zich uit en zingt en neuriet tot ze slaapt. Want zij is niet van steen zoals het beeld, dus wordt ze moe, vooral dan van het praten. Want zoveel praten als vandaag, dat heeft ze ook nog nooit gedaan.

De zon verliest al van haar kracht als eva-maria dolfijn wakker wordt. Ze hip hop huppelt zich op weg.

Daar glijdt eva, samen met de avond en de zon, het blikveld binnen van het derde beeld.

c. Hadub, de warme wijze

Het derde beeld kijkt over het water naar het westen en ziet rood als de ondergaande zon. Avond na avond ziet het beeld de zon verdwijnen in de golven.

“Dag roodkop. Dag rode baken aan het land. Ik ben isabelle jonkvrouw eva-maria iris regenboog van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel, en ik kom eens met je praten...”

“Dag jungfrau iris.”
“Kom, zet je naast mij neer, en geniet van de ondergaande zon.

“Jamaar, beste rodekool, ik wil écht graag met je praten...”

“Straks, meisje iris, straks.”

Iris nestelt zich naast de rode kolos op het groene gras. Samen proeven ze de ondergaande zon. En zoals vandaag was het nog nooit.

“Kom, vertel nu maar waarvoor je kwam, und nur damit du es weisst, ich heisse Hadub.”

“O ja Hadub, my name is Iris et je parle donc je suis en bovendien en überhaupt...”
Zozeer is ze de kluts kwijt, dat ze maar wat brabbelt en wat broddelt, wat doedelt en wat toetert.
“Eigenlijk wou ik luisteren naar jouw verhaal. Waarom heb je me niet gered toen...”

“Ach meisje iris. Alles heb ik al gezien en alles heb ik al beleefd. Ik zag de mensen sterven, en ook de dinosaurussen. Ik zag sterren uit de hemel vallen en ook eilanden geboren worden. Ik zag koeien heilig als geen ander en ook huisjes bij de vleet. Maar de koeien stierven en de huisjes vielen om.... Uiteindelijk draait de wereld rond. En ik, ik ben in éénklank met de wereld.”

“Hoe kan je nu in godsnaam zo hemels stom zijn? Zo wereldvreemd....”

Iris springt recht en begint de dikke Hadub langs alle kanten te kietelen, te kriebelen en te pitsen. Ze danst en roept en gilt hem in het oor:

“Hadub, je bent zo dom, zo ongelooflijk dom. Je bent niet rood maar dik. Je bent niet wijs maar dood. Zo dood als steen. Ik wil dansen, ik wil flirten, ik wil zwemmen, ik wil zingen. Leven is de mensen helpen, en de dieren en de planten, en gaan zwemmen in de zee. Kijk naar mij...”

Elke dag kom ik voor je dansen, tot jouw hart op hol slaat als een paard, tot jouw kop wil bloeien als een bloem, tot je zelf op springen staat. En als je dán nog flauwtjes lacht, dan dans ik met mijn buik tot jij stapelzot verliefd wordt...”

d. Eifosolif, de machteloze koele

“Dat was stout hé...”

Het vierde beeld is hoog als de bomen en wit als de schuimkoppen op de golven van de zee. Het staat aan de noordrand van het eiland, pal aan het water. En dat is knap vervelend om te praten, of om te dansen...

“Dag wittekop. Dag witte wachter in de nacht. Ik kom eens met je praten...”

“De zon zie ik nooit. Ik zie alleen de schaduwen op het fonkelwater.”

“Mijn naam is isabelle jonkvrouw eva-maria iris regenboog van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel.”

“Denken is mijn leven. Nooit houden de stemmen op, hier in mijn hoofd.”

Dolfijn draait als een tol om haar as, krabt zich in de haren, trekt zich aan de neus, pitst zich in de zij, kriebelt aan haar buik en denkt: “Ik droom! Zo’n kletskous! Die is nog erger dan de rest!”

“Lieve jonkvrouw, als een oude man sta ik hier versteend, sinds ik aanspoelde op dit eiland. Gisteren zag ik zelfs jouw schaduw dansen maar ik had de moed niet om jou aan te spreken.”

Dolfijn krijgt een rode kop. Ze heeft al bijna spijt dat ze hier gekomen is, zo midden in de nacht.

“Lieve jonkvrouw, weet dat jij symbool staat voor mijn groot verlangen, en dat ik al mijn denken op zou geven om met jou te kunnen dansen.”

Dolfijn wordt knalrood - best dat het donker is en het witte beeld haar niet kan zien.

“Mijn hele lange leven heb ik alleen maar nagedacht en nog nooit heb ik een hand uitgestoken of iets veranderd in de wereld. En ik weet niet of ik jou had moeten helpen, of ik jou niet beter overlaat aan de vliegende dolfijnen en de zwemmende vogels...”

“Witte wijzer in de nacht, ik wil je aan je oren trekken, jou een trap verkopen voor je kont, jou knijpen in je neus, je toeschreeuwen dat je dansen moet, bewegen, en dat nietsdoen toch geen leven is. Dat je zingen moet en zwemmen en de wereld redden in de storm - en mij erbij.
Elke dag zal ik bij jou langskomen, als het licht het zachtst is, en dan zal ik voor jou dansen wat er op het eiland leeft, en wat de andere beelden daarvan vinden - en de dieren en de bomen en de vogels en de vissen en de planten en de vlinders.

En ratel ajb niet als een wekker, maar luister als een wijze, en deel dan van gedachten.”

De witte wijze woordkolos zucht diep en stopt zijn woordenvloed. Hij heeft het wel begrepen, al moet hij even slikken.

“ÓóóKééééh?”

En warempel, hij knikt zijn hoofd.

“O ja, mijn naam is Eifosolif.”

Eva-maria schudt het hoofd. Haar geest wil dansen, haar hart wil springen, haar lijf wil praten, maar ze struikelt over haar vermoeidheid en valt, dieper en dieper, in een diepe slaap.

Eifosolif voelt haar slapen aan zijn zij. Een traan rolt uit zijn oog en vult de diepe zee: nooit zal hij nog alleen zijn en eenzaam in de nacht.

 

IV Een vrolijke finale

a. de voorbereiding

De volgende dag ontwaakt eva-maria samen met de eerste zonnestralen. Ze zwemt de nacht uit haar lijf en de slapers uit haar ogen.

In geuren maar vooral in kleuren vertelt ze hoe ze praatte met de beelden, hoe ze hen op stang joeg en beloofde elke dag terug te keren. En geloof het wel of niet, maar Milsom was totaal vergeten hoe de beelden en het eiland vroeger uitbundig praatten met elkaar, discuteerden, raisoneerden, en het groot gelijk verkondigden. Hoe ze zo van mening verschilden dat het een lust en een plezier was...

En warempel, verschijnt daar niet een kleine glimlach op de versteende mond van Milsom?

“Hallo, hier ben ik, eva-maria de kleine vlieg, de grote pestkop, tijd voor je massage!”

Ze huppelt, danst en stampt, ze duwt en trekt tot een kleine spier uiteindelijk beweegt.

En nog voor Netsirk kan beginnen zeuren, ligt ze al in de schaduw van zijn neus en zingt haar mooiste lied.

“De zon is mooi maar ik ben mooier. Mijn dans is nieuw en altijd weer opnieuw. De zon die heeft het eeuwig leven, maar ik ben jong en wilder dan de wind...”

Iris daagt Hadub uit en danst en wiegt en tolt tot hij de kriebels voelt.

“Witte wachter Eifosolif, hier ben ik, de hip hop irisbloem, met mijn lijf en leden en de warmte van mijn hart.”

En op haar kleurig bootje midden op de blauwe zuidzee danst dolfijn haar huppel-draai-en-dansbericht voor de grote witte denker. En dat ze toch wel van hem houdt.

De volgende ochtend ontwaakt dolfijn samen met de eerste zonnestralen en weet meteen: ‘ik wil de beelden samenbrengen.’

b. het werk

Eerst willen we praten met elkaar, maar allemaal en tegelijk. Oorverdovend klinkt het gekakel als duizend kuikens zonder kop.

Dolfijn wil gillen roepen tieren schelden loeien bulderen en molenwieken als gold het duizend stormen. Maar dolfijn weet dat alleen de stilte dit geweld kan breken. Dus fluistert ze, nog stiller dan een ochtendbries:

“Stop. Asjeblief, stop. Elk om beurt, en luister als het kan ook naar elkaar! Antwoord toch en voer geen monologen. De waarheid heeft veel gezichten en huist niet in een stenen kop”

En plots wil niemand nog het laatste woord.

De volgende dag willen we dansen als de beesten en stoerdoen als de bokken. Overmoedig vergeten ze dat ze versteend zijn van het stilstaan. Dat ze diep en dieper weggezakt zijn van hun eigen dom gewicht. Ze wriemelen en wroeten, ze ploeteren en trekken om zich eindelijk los te wrikken. Ze lachen zich te pletter, ze gieren en ze gillen. Hun eigen lompe voeten lopen in de weg. Ze botsen en ze klotsen tegen alle bomen op. Ze stampen duwen trekken en vallen om en krabbelen recht en weten niet van stoppen.

Het is een eeuwigheid of twee geleden dat het eiland nog zo’n narrenbal beleefde, zo’n zottenkot, zo’n stommedommedoenerij.

De derde dag doen we stom, stijf, nukkig, kwispelturig, tegendraads, balorig, dwars, vervelend, saai. Niets willen ze nog doen, niets willen ze nog proberen. Zelfs gewoon maar luisteren naar elkaar of kijken naar dolfijn is plots te veel gevraagd.

Maar het geduld van dolfijn isabelle jonkvrouw eva-maria iris regenboog van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel is eindeloos

Beetje bij beetje, gesprek na gesprek, dans na dans, gevoel na gevoel, leert eva-maria de beelden weer te leven, te bewegen en te praten, te luisteren en van mening te verschillen.

c. finale

Op een dag als een ander strekt Eifosolif zijn oude benen, heel alleen en zonder hulp. Over het eiland dwaalt hij rond. Hij kijkt en ruikt en smaakt en voelt, en overal stelt hij zichzelf en ook zijn vragen voor: “Hoezo? En zou het ook niet anders kunnen?”

En Netsirk kijk naar het eiland en de zee. Hij is de hemel niet vergeten, maar leeft nu in de hemel hier op aarde. De hemel voor dit eiland, de hemel voor dolfijn, de hemel voor haar vrienden, en alle beelden bovendien. En uiteindelijk zingt ook hij. Hij lacht en babbelt met de dieren en de planten, en samen met de beelden wisselt hij voor eeuwig van gedachten.

Samen trekken ze naar Hadub die nu wiebelt, kriebelt, danst en lacht met alles en met iedereen. Hij volgt de vlinders in zijn buik, trillend van genot. Hij jaagt de stenen beelden op het eiland na. Om te kittelen en te kriebelen, om te spelen en te lachen, om te dansen met de woorden en ook wel met elkaar.

En Milsom draait zich om, heel alleen en zonder hulp. Hij kijkt verwonderd naar de planten en de vlinders, naar de bloemen en de vogels, naar de vissen en de bomen en knikt ‘good morning’ met zijn groene kop.

Alle beelden dansen met elkaar. Ze discuteren, raisoneren, ze luisteren en bevragen, en ook de stilte krijgt haar tijd. Uiteindelijk vragen ze heel gelukkig alle dieren, alle planten, de zon, de maan en ook het meisje op visite. Zoals het oude heren past noemen zij het: ”Een terrasje doen, een theetje drinken op het strand en de wereld bespreken”.

Isabelle jonkvrouw eva-maria iris regenboog van het bootje op de golven en de sterren aan de hemel sluit de ogen en weet dat dit het ware leven is: praten met elkaar en luisteren, de wereld proberen te begrijpen en de stenen weer tot leven wekken, eten, drinken en genieten en dan een dansje doen...

Iris trekt haar kleren uit en danst haar laatste afscheidsdans. In haar blootje op de golven, voor het eiland en de beelden, voor de dieren en de planten, voor de woorden en het samenzijn...

Het hip hop kleurig bootje drijft naar de diep en blauwe zee, roeiend naar het groene eiland aan de einder.

En op het eiland van de zwemmende vogels en de vliegende dolfijn hernemen de dieren, de planten en de beelden het feest en hun gesprek.

 


Epiloog: Eiland

tollend op de golven in het bad
ben ik soms een drijvend eiland
midden in het blauwe water
golvend op een eindeloze zee

en verder aan de einder rokend
een vulkaan een eigen land
een ander land een drijvend land
een eiland in de diepe zee

want iedereen is soms een eiland
als de golven in de blauwe hemel
als de wolken in het groene land
als de vlinders in je kriebelbuik

maar niemand blijft een eiland
want de zee brengt ons bijeen

Philip Demeester

 
   
 
 
 
the art of involvement / de kunst van het engagement
 
home | ©2006 Philip Demeester & Amana Dance Theatre