Quand nos lèvres se parlent
1996
 
 
 
   
 

Wie Wat Wanneer?

Quand nos lèvres se parlent
een feministische dans-tekst naar Luce Irigaray

Première: 23 & 24 februari 1996, Theaterhuis Jonna, Wilsele-Leuven
Speelperiode: 1996 - 1998
Bijzonderheden: Uitgebracht in het kader van het Gynaika 1996 - programma

Tekst: naar Luce Irigaray
Dans & spel: Vera Van den Berghe
Regie, vormgeving:Philip Demeester
Dramaturgie: Vera Van den Berghe & Philip Demeester
Productie: dans/theaterlabo het AFFRONT

 
   
 

Inhoud

Een vrouw vertelt
Ze vertelt over haar zoektocht naar een eigen, vrouwelijke taal. De beroemde tekst van Luce Irigaray wordt in haar mond een doorleefde werkelijkheid. In de stilte van/tussen de woorden hoort men haar eigen leven kloppen...

Een vrouw danst
Op zoek naar de ziel in haar lijf, het lijf van haar ziel. Langzaam ontdekt ze zichzelf, en met zichzelf de andere. Zo ontstaat een taal zonder woorden, een delen zonder zelfverlies...

In 'Quand nos lèvres se parlent' zoekt Vera Van den Berghe naar een universele vrouwelijkheid in de oriëntaalse dans. De dialoog tussen tekst en dans wordt een dialoog tussen theorie en praktijk, tussen lijf en verwoording, tussen ervaring en de ander.

 
   
 

Motivatie

Vrijheid is altijd ook de vrijheid van het anders-denken. Laten we dus de andersdenkenden de ruimte geven om echt ànders te denken! Laten we dus de andersvoelenden de stilte geven om echt ànders te voelen! Laten we dus een andere taal de aandacht geven om echt ànders te klinken!

Of is alles al lang gezegd en loont het niet de moeite om écht te luisteren?

Wij geloven dat het wel de moeite waard is om écht te luisteren, als wat gezegd wordt ook echt ànders is. Ook al begrijpen we het niet onmiddellijk. Ook al zal niemand het ooit volledig begrijpen. Ook al kan niemand (zich) ooit totaal uitspreken. Ook al, of juist daarom.

Wij geloven niet dat het loont om altijd hetzelfde te herhalen, om altijd naar hetzelfde te luisteren. Dezelfde gebruiken, dezelfde cultuur, dezelfde waarheid, dezelfde taal. Want is het andere gezicht van deze Waarheid, van Hetzelfde, niet de onverdraagzaamheid? De doofheid, de blindheid, de gevoelloosheid?

Wij willen niet gemoedelijk blijven bij elkaar, onder elkaar. De zekerheid alleen maar variaties van hetzelfde in onze spiegels te zien weerkaatsen, verveelt ons. Hetzelfde, altijd maar hetzelfde. Zo geruststellend, maar zo vervelend, zo doods en dodend.

Wij geloven dat niets mooiers is dan een lijf dat spreekt, een cultuur die tegen-spreekt, een geslacht dat niet te sluiten is.

Daarom kan het differentie-denken, het denken over ànders-denken, niets minder zijn dan een steun in onze zoektocht naar een levende cultuur. Een cultuur van openheid, van geslachtelijkheid, van gelijkheid-in-onderscheid. Een open cultuur, een bloeiende cultuur. Een gesprek vol respect.

Voor zichzelf, voor de andere, voor jou, voor mij.

 
   
 

Luce Irigaray geciteerd

De vrouw ‘raakt zich aan’, voortdurend, zonder dat men het haar zou kunnen verbieden, want haar geslacht bestaat uit twee lippen die elkaar voortdurend omhelzen. Zodoende is zij in zichzelf reeds twee - maar onscheidbaar en één - die elkaar beroeren.

Omhels mij. Twee lippen omhelzen twee lippen: het opene is ons teruggegeven. Onze ‘wereld’. En de overgang van het binnen naar het buiten, van het buiten naar het binnen, is zonder grenzen tussen ons. Zonder einde. Tussen ons heeft het huis geen muren meer, de taal geen circulariteit. Jij omhelst mij: de wereld is zo groot dat hij elke horizon verliest. Onbevredigd, wij? Ja, als dat betekent dat we nooit af zijn. Dat ons plezier is: ons te bewegen, te (ont)roeren, zonder ophouden. Altijd in beweging: het opene put zich niet uit en verzadigt zich ook niet.

Hoe je aanraken, als je er niet bent? Als jouw bloed is opgegaan in hun betekenis. Verlaat hun taal. Probeer de namen die ze je gegeven hebben terug te overstijgen. Ik wacht op jou. Kom terug. Het is niet zo moeilijk. Je blijft hier, en je trekt je niet terug in scènes die al gespeeld zijn, in zinnen die al gehoord en herhaald zijn, in gebaren die al bekend zijn. In lichamen die al gecodeerd zijn. Je probeert aandacht te hebben voor jezelf. Voor mij. Zonder je te laten afleiden door de norm of de gewoonte.

Deze stilte is ruimte-tijd die je aangeboden wordt, zonder ritueel of vooraf vastgestelde waarheid. Zij vormt een opening naar jou, naar de ander die niet de mijne is en het nooit zal zijn. Deze stilte is mogelijk omdat ik noch jij ooit alles zijn, omdat we elk begrensd zijn, getekend door het negatief, het anders zijn zonder hiërarchie.

 
   
 

Speeltekst

De tekst die hier weergegeven wordt, is de tekst zoals gespeeld tijdens de voorstelling.
Deze versie is een hertaling en een inkorting, en verschilt dan ook in grote mate van de volledige tekst en vertaling zoals gepubliceerd in boekvorm.

1

Als we doorgaan met dezelfde taal te spreken, dan zullen we dezelfde geschiedenis herhalen. Dezelfde leugens opnieuw beginnen. Voel je het niet? Luister:

2

Als we doorgaan met hetzelfde spreken, als we spreken zoals zij al sinds eeuwen spreken, zoals ons geleerd is te spreken, dan zullen we ons zelf vermoorden. Dan zullen de woorden door onze lichamen heen gaan, over onze hoofden, om zich te verliezen, om ons te verliezen.

3

Hoe je aanraken, als je er niet bent? Als jouw bloed is opgegaan in hun betekenis. Verlaat hun taal. Probeer de namen die ze je gegeven hebben terug te overstijgen. Ik wacht op jou. Kom terug. Het is niet zo moeilijk. Je blijft hier, en je trekt je niet terug in scènes die al gespeeld zijn, in zinnen die al gehoord en herhaald zijn, in gebaren die al bekend zijn. In lichamen die al gecodeerd zijn. Je probeert aandacht te hebben voor jezelf. Voor mij. Zonder je te laten afleiden door de norm of de gewoonte.

4

5

Wanneer je zegt "ik heb je lief" - en daarbij hier blijft, dicht bij jezelf, dicht bij mij - dan zeg je, "ik heb mezelf lief". Je behoud jezelf evenzeer als je jezelf weg laat stromen. Je vindt jezelf terug evenzeer als je jezelf overgeeft.

6

Ik heb je lief: gedeeld lichaam. Zonder breuk. Zonder duidelijk afgegrensd jij of mij. Tussen ons geen behoefte aan een snee om ons eraan te herinneren dat het bloed bestaat. Het vloeit in ons, uit ons. Het bloed is ons vertrouwd. De witheid van het rood neemt niets. Zij geeft net zo veel terug als ze ontvangt. Stralend, zonder zelfbedruipend te zijn.

7

Laten wij hen de één. Het privilege, de overheersing, het solipsisme van de één. En deze vreemde opdeling van hun paren, waar de andere het beeld is van de ene. Alleen maar beeld. Nauwelijks levende spiegel. Gestold. Stom. waar het bewegen van ons leven zich uitput. Gedoemd tot reproduceren.

8

Maar hoe anders zeggen: "ik heb je lief?" Ik heb je lief, mijn onverschillende? Dat komt er weer op neer dat we ons plooien naar hun taal. Om ons te benoemen hebben ze ons de gebreken gelaten, de tekorten. Hun negatief.

9

Onverschillende, hou je rustig. Als je beweegt, verstoor je hun orde. Je brengt alles aan het wankelen. Je (door)breekt de kring van hun gewoontes, de cirkel van hun uitwisselingen, van hun weten, van hun begeerte. Van hun wereld. Onverschillende, je mag je niet bewegen, je niet opwinden, behalve als zij je roepen. Als zij zeggen: 'Kom', dan mag je naar voren stappen. E‚n stap, of twee. Naargelang de behoefte die zij hebben aan de aanwezigheid van hun evenbeeld. Meer niet. Geen uitbundigheid, geen opwinding. Anders maak je alles kapot.

10

Dus, wij zouden onverschillenden zijn. Onverschillenden, wij? Gelijkenden? Als je wil. Ik begrijp het niet goed: gelijkenden. Gelijkenden, in wiens blik? In functie van welke maatstaf? Van welke derde? Ik raak jou aan, dat is meer dan genoeg om te weten dat jij mijn lichaam bent.

11

Ik heb je lief: onze twee lippen kunnen niet uit elkaar gaan om één woord door te laten. Eén enkel woord dat zou zeggen jij, of mij. Of: gelijken. Zij zeggen - de ene en de andere hebben elkaar lief. Tezamen. Om een exact woord uit te brengen, zouden zij zich opengesperd moeten houden. Gescheiden, de ene van de andere. Ver uiteen, en tussen hen één woord.

12

Maar waar zou dit woord vandaan komen? Geheel correct, gesloten, strak over zijn betekenis gespannen. Zonder scheur. Lach maar... zonder scheur zou jij jij niet meer zijn, en ik ik niet. Zonder lippen geen wij meer. De eenduidigheid van de woorden, het is hun afwezigheid van lippen. Het vergeten van de lippen. De woorden zwijgen als ze eens en voor altijd gezegd zijn. Netjes ingewikkeld opdat hun betekenis - hun bloed - niet zou ontsnappen.

13

Ik heb je lief: jouw aanwezig lichaam hier, nu. Ik raak jou aan, jij raakt mij aan, dat is genoeg om ons levend te voelen.

14

Open je lippen. Open ze niet zomaar. Ik open ze niet zomaar. Jij/ik zijn noch open noch gesloten. Tussen jouw/mijn lippen antwoorden meerdere zangen, meerdere verhalen elkaar voortdurend. Zonder dat de ene ooit van de andere te scheiden zou zijn. Jij/ik: altijd meerdere tegelijk. En hoe zou de ene de andere domineren? Haar stem opleggen, haar toon, haar betekenis? Zij onderscheiden zich niet. Wat niet betekent dat ze in elkaar opgaan.

15

Spreek toch maar. Dat jouw taal niet uit een enkele draad bestaat, uit een enkele keten, uit een enkel weefsel, dàt is onze kans. Je raakt me overal tegelijk aan. In elke zin. Tegelijk gezang, spreken, tekst - waarom? Om een van mijn 'gaten' te verleiden, dicht te gooien, te bedekken? Ik heb er geen, bij jou.

17

Tegelijk meerdere dingen zeggen, dat is ons niet geleerd en niet toegestaan. Dat is geen correct spreken. Ja zeker, wij mochten - wij moesten? - een 'waarheid' tentoonstellen, terwijl we er een andere voelden, onderdrukten, verzwegen.

18

Jij/ik ont-dubbelen ons dus om hen te behagen. Maar zo in tweeën gedeeld - de ene buiten, de andere binnen - omhels je jezelf niet meer, omhels je mij niet meer. Buiten probeer je je te conformeren aan een orde die jou vreemd is. Uit jezelf verbannen ga je op in alles wat zich aan jou aanbiedt. Je gaat op alles lijken wat jou nadert. Je wordt alles wat jou aanraakt. Gulzig om jezelf terug te vinden, verwijder je je oneindig van jezelf. Van mij. Je het ene na het andere model eigen makend, gaande van de ene naar de andere meester, wisselend van gestalte, van vorm, van taal al naar gelang degene die je domi- neert. Gespleten door je aanhoudend te laten misbruiken.

16

Omhels me. Twee lippen omhelzen twee lippen: het opene is ons teruggegeven. Onze 'wereld'. En de overgang van het binnen naar het buiten, van het buiten naar het binnen, is zonder grenzen tussen ons. Zonder einde. Tussen ons heeft het huis geen muren meer, de wei geen hek, de taal geen circulariteit. Jij omhelst mij: de wereld is zo groot dat hij elke horizon verliest. Onbevredigd, wij? Ja, als dat betekent dat we nooit af zijn. Dat ons plezier is, ons te bewegen, te (ont)roeren, zonder ophouden.

19

Spreek tot mij. Kan je niet? Wil je niet meer? Wil je jezelf terughouden? Stom blijven? Wit? Maagd? Die van binnen voor jezelf houden? Maar zij bestaat niet zonder de andere. Er is, onder ons, geen breuk tussen maagd en niet- maagd. Geen gebeurtenis die ons tot vrouw zou maken. Lang voor je geboor- te raak jij je aan, onschuldige. Het geslacht van jouw, van mijn lichaam is ons niet door een ingreep gegeven. Jij bent, altijd en overal, ànders. Dat is jouw misdaad, die je niet begaan hebt.

20

Hoe je te zeggen dat jouw genot mogelijk is los van het kwaad, vreemd is aan het goede? Dat de zonde slechts kan ontstaan doordat zij op jou hun bezittin- gen kunnen inschrijven, hun inbreuken in praktijk brengen... Als we ons daartoe lenen, laten we ons verkrachten, kapotmaken.

21

22

Hoe het zeggen? Dat we meteen vrouwen zijn. En dat hun geschiedenis de plaats vormt van onze deportatie. Niet dat we een eigen gebied zouden hebben, maar hun vaderland, familie, thuis, spreken houden ons gevangen in afgesloten ruimtes, waar wij ons niet langer kunnen bewegen. Niet langer kunnen leven. Hun bezit is onze ballingschap. Hun omheiningen de dood van onze liefde. Hun woorden de knevel tussen onze lippen.

23

Hoe te spreken om buiten hun versnipperingen, netwerken, onderscheidingen, tegenstellingen te treden: maagd/ontmaagd, rein/onrein, onschuldig/ervaren... Hoe uit de keten van deze termen te breken, hoe ons van hun categorieën te bevrijden? Hoe ons, levend, te bevrijden uit hun opvattingen? Je weet heel goed dat we nooit af zijn, dat we elkaar alleen maar omhelzen als geheel. Dat het in stukjes delen van het lichaam, van de ruimte, van de tijd, de stroom van ons bloed onderbreekt. Ons verlamt, ons doet stollen, ons onbeweeglijk maakt. Bleker. Bijna koud.

24

Wacht. Mijn bloed keert terug. Het wordt weer warm in ons. Tussen ons. Hun woorden lopen leeg. Uitgebloed. Terwijl onze lippen weer rood worden. Ze bewegen, woelen, ze willen spreken. Wil je spreken? Wees geduldig. Je zal alles zeggen. Begin met wat je voelt, nu, op dit moment.

25

26

Als jij/ik aarzel te spreken, is het dan niet omdat we bang zijn niet goed te spreken? Maar wat zou goed of slecht zijn? Als je "goed" wilt spreken, verwij- der je je van de onbegrensdheid van je lichaam. Verhef je niet, je verlaat ons. De erectie is niet onze zaak: wij voelen ons heel goed in de vlaktes. Wij hebben zoveel ruimtes met elkaar te delen. De horizon zal zich voor ons, die altijd open zijn, nooit volledig sluiten. De hemel is niet daarboven: de hemel is tussen ons.

27

En klamp je niet krampachtig vast aan het "juiste" woord. Er is er geen. Alles heeft ruimte om te bestaan. Alles is waard uitgewisseld te worden. Onze lichamen groeien uit ons gemeenschappelijk genot. Onze overvloed is onuitputtelijk: ze kent geen schaarste of rijkdom. Als we ons volledig overgeven, zonder reserve of hebzucht, dan zijn onze uitwisselingen zonder voorwaarden.

28

"Waarom spreken, Wij voelen toch dezelfde dingen op hetzelfde ogenblik. Zijn mijn handen, mijn ogen, mijn mond, mijn lippen, mijn lichaam niet voldoende voor jou? Is wat zij jou zeggen niet genoeg?" Ik zou je kunnen antwoorden: toch. Maar dat zou te eenvoudig zijn. Te uitgesproken om jou, om ons gerust te stellen.

29

Als we niet een taal uitvinden, als we niet een taal voor ons lichaam vinden dan zal ons lichaam te weinig gebaren hebben om onze geschiedenis te begeleiden. Dan zullen wij ons uitputten in dezelfde gebaren, ons verlangen latent laten, en in pijn. Terug ingeslapen, onbevredigd. En overgeleverd aan hun woorden. Verlamd. Beroofd van onze bewegingen. Gestold, terwijl we gemaakt zijn voor de onophoudelijke verandering.

30

Ga door, zonder buiten adem te raken. Wees wat je wordt, zonder je vast te klampen aan wat je had kunnen zijn, zonder je ooit vast te leggen. Laten we het zekere over aan de onzekeren. Wij hebben geen behoefte aan het definitieve. Ons lichaam geeft ons een heel andere zekerheid. De waarheid is nodig voor hen die zo ver van hun lichaam verwijderd zijn, dat ze het vergeten zijn. Maar hun 'waarheid' maakt ons onbeweeglijk, versteent ons, als we ons er niet van losmaken. Als we de macht ervan niet vernietigen door te proberen te zeggen, nu, hier, meteen, hoe we worden bewogen.

31

Je beweegt. Je blijft nooit rustig. Je blijft nooit. Je bent nooit. Altijd andere. In de stroom verblijvend zonder hem ooit te doen stollen. Te bevriezen. Hoe deze stroming over laten gaan in woorden? Veelvuldig. Zonder enkelvoudige oorzaken, betekenissen, eigenschappen. En toch niet uit elkaar te halen. Deze bewegingen die niet beschreven worden door de weg van een oorsprong naar een einddoel. Deze rivieren zonder vaste oevers. Dit lichaam zonder omlijnde grenzen. Deze beweeglijkheid zonder ophouden. Dit leven.

32

Spreek toch maar. Tussen ons dringt het 'harde' zich niet op. Wij kennen de rondingen van onze lichamen goed genoeg om het vloeiende lief te hebben. Onze dichtheid stelt het zonder het opdelende, het starre. Ons begeren gaat niet uit naar het doodse.

33

Maar hoe niet te sterven als we ver van elkaar zullen zijn, de ene van de andere? Hoe wachten tot je terugkeert, als je op afstand niet ook dichtbij kunt zijn? Als niet iets nog voelbaars, hier, nu, het aanraken van onze lichamen terug oproept. We moeten echt leren om te spreken, opdat we elkaar ook van op afstand zouden kunnen omhelzen.

34

Laten we snel onze zinnen ontdekken. Zodat we overal en altijd doorgaan ons te omhelzen. We zijn zo subtiel dat geen enkele hindernis stand zal houden, dat niets zal kunnen tegenhouden dat we ons herenigen, als we communicatiemiddelen vinden die onze dichtheid hebben. Wij zullen alles overbruggen, onmerkbaar, zonder iets te beschadigen, om elkaar terug te vinden.

35

Huil niet. Op een dag zal het ons wel lukken om met elkaar te spreken. En wat we zullen zeggen, zal nog mooier zijn dan onze tranen. Helemaal vloeiend.

36

Nu reeds draag ik je overal met me mee. Je bent er, zoals het leven van mijn huid. Dat jij leeft maakt dat ik me voel leven, op voorwaarde dat jij noch mijn antwoord, noch mijn imitator bent.

37

Van ons beiden is niet de ene de 'ware' en de andere haar kopie, is niet de ene het origineel en de andere haar afspiegeling. Wij verhouden ons tot elkaar zonder na te bootsen. Onze gelijkenis gaat verder dan de schijn: reeds in ons lichaam zijn we gelijk. Raak jezelf aan, raak mij aan, je zal 'zien'.

38

Als je jezelf niet verstart in herhalingen, heb je altijd de aangrijpende schooneid van een eerste keer. Als je jezelf niet vastzet, ben je altijd voor de eerste keer ontroerd.

39

Laten we nooit bevelen geven, voorschriften, verboden. Laat onze voorschriften slechts uitnodigingen zijn om ons te bewegen: samen. Laten we elkaar nooit de wet voorschrijven, de moraal. De oorlog. Laten we geen gelijk hebben. Als jij oordeelt, als ik oordeel dan houdt ons bestaan op. En gebeurt niet meer wat ik liefheb in jou, in mij, in ons: de nooit voltooide geboorte, het nooit voor-eens-en-voor-altijd geproduceerde lichaam, de nooit voltooide gestalte, het gezicht dat zich nog altijd vormt.

40

Het licht is voor ons niet gewelddadig. Niet moordend. De zon gaat voor ons niet eenvoudigweg op, of onder. De dag en de nacht vermengen zich in onze blikken. In onze gebaren. In onze lichamen. Wij hebben, strikt genomen, geen schaduw. Ik wil nachtelijk blijven en in jou mijn nacht weer aanraken. Zacht stralend.

41

Jou - zonder ophouden - omhelzen.

42

En als ik zo vaak aandring: niet, noch, ... dan is het om jou, om ons eraan te herinneren, dat we elkaar slechts naakt aanraken. En dat wij, om elkaar terug te vinden, heel veel kleren af te leggen hebben. Zoveel voorstellingen en verschijningsvormen verwijderen ons van elkaar. Ze hebben ons zo lang ingepakt volgens hun verlangen, wij hebben ons zo vaak opgetut om hen te behagen, dat we onze huid vergeten zijn. Buiten onze huid blijven we op afstand. Jij en ik, uiteengescheurd.

43

 

Luce Irigaray
hertaling/bewerking: Philip Demeester

 
 
the art of involvement / de kunst van het engagement
 
home | ©2006 Philip Demeester & Amana Dance Theatre