De Verliefde Wolk
1994
 
 
 
   
 

Wie Wat Wanneer?

De Verliefde Wolk
een dans-sprookje naar Nâzim Hikmet (Turkije)

Voor kinderen en hun familie vanaf 10 jaar
Première: 30 maart, 1 & 2 april 1995: Theaterhuis Jonna, Wilsele-Leuven (try-outs: oktober 1994)
Speelperiode: 1994 - 1997
Bijzonderheden: meer dan 30 voorstellingen voor scholen en Culturele Centra

Bewerking: Philip Demeester
Regie, choreografie & vormgeving: Philip Demeester
Dans & spel: Vera Van den Berghe
Dramaturgie: Yvonne Peiren & Dirk De Lathauwer
Productie & regieassistentie: Dirk De Lathauwer
Productie: dans/theaterlabo het AFFRONT

 
   
 

Inhoud

Midden in de woestijn schept de derwisj een nieuwe wereld. Daarin leven Seyfi, die zowat alles bezit, en Aïché, een jong meisje dat gelukkig is in haar tuintje, met haar bloemen, de duif en de haas. Seyfi wil echter àlles bezitten, ook het tuintje, en is daartoe tot alles bereid... Maar de derwisj schept ook een wolk. De wolk wordt verliefd op Aïché en zal alles doen om haar te beschermen en het tuintje te redden...

Voor iedereen die in sprookjes durft geloven, die droomt van liefde en een paradijs, de volwassene dus in het kind, en het kind in de volwassene...
Concreter: kinderen vanaf ca. 10 jaar (4e, 5e, en 6e leerjaar), en wie hen lief is. Een ideale familievoorstelling!

 
   
 

Motivatie

Kinderen worden steeds vaker en op steeds jongere leeftijd geconfronteerd met hopeloze situaties van apocalyptische gruwel en lijden. Situaties waar wij volwassenen geen raad mee weten, waarbij we ongewild maar noodgedwongen zwijgen, d.w.z. wegkijken. Situaties en reacties die lijken te suggereren dat enkel nog de wet van de jungle geldt: wie het hardst slaat krijgt gelijk.
In zulke tijden moeten wij, meer dan ooit, opstaan en onze kinderen, onze toekomst, tonen:
"liefde is sàmen vechten voor een wereld waarin het goed is om te leven".
Of nog:
"solidariteit is niet een middel voor het eigenbelang, maar de plaats waar we onszelf kunnen realiseren".
Of ook nog:
"als je niet alleen bent, ben je samen, en samen is het goed te leven..."

 
   
 

Vormgeving/artistieke opties

We grijpen terug naar de essentie van het sprookje:
Het publiek wordt direct aangesproken als individu, met zijn/haar droom van een betere wereld en een gelukkig leven...
Via kleine handelingen en korte symbolische gebeurtenissen, via dans en verhalende stukken voeren we het publiek mee langs de lijnen van het verhaal, langs de grote en kleine emoties om uiteindelijk te eindigen met de hoop.

Maar het verhaal wordt verteld door een oriëntaalse danseres, zodat het nooit stilstaat, niet letterlijk en ook niet figuurlijk. Het verhaal wordt gedanst, en de dans wordt verhaal, want voor wie nog weet te spelen (d.w.z. te leven) kan er geen verschil zijn tussen woord en daad.
We kiezen voor de oriëntaalse dans vanwege de (multi)culturele achtergrond van het sprookje, maar vooral omdat dit een dans op mensenmaat is.

De volledige Speeltekst

De tekst die hier weergegeven wordt is deze zoals hij door ons gespeeld werd: het is een hertaling naar het nederlands, en een herschepping naar het toneel toe. Andere 'vertalingen' zijn weliswaar denkbaar en/of verdedigbaar, maar weerspiegelen niet de poëzie die typerend was voor onze voorstelling.

De Verliefde Wolk

De derwisj ging zitten aan de voet van de cypres, haalde uit zijn gordel een fluit en begon te spelen. Uit de gaatjes van de fluit stegen bomen op. Alsof ze in de fluit zaten en verschenen naarmate de derwisj blies. Bergen stegen op, en rivieren, en wegen. En de bomen, de bergen, de rivieren en de wegen kwamen neer aan de andere kant van de wereld, midden in een woestijn. De bergen en de bomen richtten zich op, de rivieren begonnen te stromen en de wegen strekten zich uit. Men noemde dit land het Land van de Fluit.

De derwisj nam adem en begon opnieuw fluit te spelen. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een man op met zwarte baard, arendsneus en grote uitpuilende ogen. Hij maakte één of twee bokkesprongen en kwam terecht naast de derwisj. De man heette Seyfi. Seyfi de Zwarte. Seyfi de Zwarte keek naar rechts, keek naar links, stak zijn hand in de zak van de derwisj, pikte zijn beurs en ging er van door. De derwisj nam een steen, mikte en gooide. De steen trof Seyfi de Zwarte zo hard dat hij opstuiterde als een bal en terechtkwam aan de andere kant van de wereld, op de top van een berg in het Land van de Fluit. Of liever, hij kwam terecht op het met zilver ingelegd zadel van een grijs paard op de top van de berg. Seyfi de Zwarte nestelde zich in het zadel en bekeek de omgeving. Kudden schapen daalden naar het dal. Die kudden waren van hem. Op de flank van de berg graasde een bonte mengeling paarden met wilde manen als van leeuwen. Ook die paarden waren van hem. Beneden gingen karavanen op weg, kamelen beladen met kruiden, koffie, zijde en ivoor. Die karavanen waren van hem. Zover de blik reikte, strekten zich velden uit met tarwe, rogge en katoen. En die velden waren van hem. Kortom, Seyfi de Zwarte was de rijkste man van het Land van de Fluit.

Op zijn grijs paard, helemaal op de top van de berg, keek Seyfi de Zwarte om zich heen. Zijn uitpuilende ogen schitterden van hebzucht. Zijn baard met zwarte haren en borstelig als kreupelhout trilde ervan. Maar laten we Seyfi de Zwarte waar hij is en keren we terug naar de derwisj, aan de voet van de cypres. Uit een van de gaatjes van de fluit, waarop de derwisj nog altijd speelde, steeg een jong meisje op. Delicaat streek ze neer naast de derwisj. Het was het mooiste meisje van de wereld. Haar gouden haren vielen tot op haar hielen. Haar gezicht was mooi als de groeiende maan. De zwarte wimpers van haar blauwgroene ogen waren lang en helemaal gekruld. Het jonge meisje was nauwelijks vijftien. En ze heette Aïché...

Aïché zoende de hand van de derwisj, en ging eerbiedig voor hem staan.
"Ik wacht op jouw bevelen, vader derwisj" zei ze. "Als ik iets voor jou kan doen... Als je honger hebt, zal ik soep voor je klaarmaken, en als je moe bent, zal ik je bed spreiden."
De derwisj glimlachte:
"Dank je, kleine Aïché. Maar ik heb geen honger en ik ben niet moe."

Hij streelde de schouder van Aïché. En Aïché steeg op in de lucht, zacht wiegend als een veer. Ze vloog ver weg en streek neer op de tak van een appelboom die in bloei stond, aan de andere kant van de wereld, in het land van de fluit. Waren de bloesems het mooist, of was het Aïché? Als je het mij vraagt, dan was de jonge Aïché nog mooier dan de bloesems van de appelboom. Ze keek rond, dóór de bloesems van de appelboom. De appelboom stond in een tuin. En deze tuin was van de jonge Aïché. De rozen stonden er in bloei, roze, rode, gele, witte; pomponrozen en stokrozen. Er bloeiden tulpen in alle vormen, en een overdaad aan anjers.

Aïché daalde af van de tak van de appelboom, nam een gieter en begon de bloemen te begieten. Een haag omheinde de tuin. In volle galop kwam Seyfi de Zwarte er aan, stopte voor het portaal, schreeuwde over de haag:
"Hola, Aïché, hola!"
Aïché zette haar gieter neer en zei:
"Bent u daar wéér? "
Seyfi de Zwarte liet zijn zware stem zwellen:
"Ik ben daar weer, en ik zal elke dag terugkomen tot je me de tuin verkoopt, dat de duivel hem uitdroogt!"
"Ik ben niet van plan mijn tuin te verkopen, niet aan u, en ook niet aan iemand anders. Ik heb het u al zo dikwijls gezegd!" antwoordde Aïché met haar stem die zachter klonk dan het gesjilp van vogels.
Seyfi de Zwarte sloeg met zijn rijzweep met zilveren handvat op de haag en begon te brullen:
"Alles is van mij in dit land, alles behalve jouw tuin, dat de duivel hem uitdroogt. Deze tuin is als een zwarte doorn pal in het midden van mijn domeinen. Ik zal hem er uiteindelijk wel uittrekken, deze tuin, dat de duivel hem uitdroogt..."

Seyfi de Zwarte kon zijn zin niet afmaken. Zijn paard was beginnen hinniken en met de poten slaan. Seyfi de Zwarte donderde op de grond. Wat was er gebeurd? Terwijl Seyfi de Zwarte, geplant op zijn paard aan de andere kant van de haag, tegen de jonge Aïché schreeuwde, beet een haas in één van de poten van het paard. De haas beet tot het paard zo hard begon te hinniken en te stampen van de pijn, dat Seyfi de Zwarte op de grond plofte. En er gebeurde nog meer. Terwijl Seyfi brullend van de pijn rondtolde in het stof, terwijl de haas verschrikt op de vlucht sloeg, vloog een witte duif op uit de tuin van Aïché. Ze ging recht boven Seyfi de Zwarte vliegen, mikte zorgvuldig en scheet hem precies tussen de ogen. Seyfi de Zwarte werd zo kwaad dat hij zijn pijn vergat en rechtsprong. Hij legde een pijl op zijn boog en mikte naar de duif. Toen Aïché dit zag slaakte ze een kreet. De duif vluchtte klapwiekend. Seyfi de Zwarte sprong op zijn paard en stortte zich in de achtervolging... Maar laten we Seyfi de Zwarte de witte duif achtervolgen en keren we terug naar de derwisj.

Geleund tegen de cypres speelde de derwisj fluit. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een wolk op. De derwisj speelde verder en de wolk steeg hoger en hoger. Als een lam dat graast op hemelse weiden, dwaalde de wolk naar het Land van de Fluit, helemaal aan de andere kant van de wereld. Toen ze over de grens van het Land van de Fluit vloog, bemerkte zij beneden tussen het koren een haas die zijn snorharen gladstreek. Het was de haas die gebeten had in de poot van het paard van Seyfi de Zwarte. De haas keek op en zag de wolk. De manier waarop de haas zijn snorharen gladstreek beviel de wolk zo zeer dat zij in een lach schoot. De haas begreep er niets van. Het was de eerste keer dat hij een wolk zag lachen. Dat verwonderde hem zeer, maar het behaagde hem ook. Laten we kort zijn. Terwijl de haas en de wolk zo kennismaakten, had Seyfi de Zwarte zijn paard gestopt op de top van een heuvel. Hij zocht de hemel af naar de witte duif die hem tussen de wenkbrauwen had gescheten. Daar zag hij haar. Hij spande zijn boog en mikte. Precies op dat ogenblik kwam de wolk aan bij de duif. De wolk zag wat er gebeurde en fronste de wenkbrauwen. Dan liet zij zich op Seyfi vallen en omhulde hem van alle kanten. Seyfi de Zwarte wist niet meer wat doen in deze witte nevel die hem verblindde. Hij begon te niezen en te hoesten. De duif maakte zich klapwiekend uit de voeten. De wolk was gelukkig dat de duif gered was. Ze liet Seyfi de Zwarte voor wat hij was, raapte zich bijeen, steeg weer naar de hemel en vervolgde haar weg. Ze dwaalde wat naar hier, ze dwaalde wat naar daar, ze stak rivieren over, ze stak bergen over, ze passeerde pal boven de tuin van Aïché.

Uitgestrekt tussen de tulpen van haar tuin keek Aïché naar de hemel. Aan haar rechterzijde zat de haas en op haar linkerschouder de witte duif, die juist ontsnapt was aan Seyfi de Zwarte. Het licht van de hemel vulde de blauwgroene ogen van Aïché. Haar gouden haren schitterden. Met één hand speelde ze met de lange oren van de haas die aan haar rechterzijde zat en met de andere streelde ze de duif. Precies op dat ogenblik verscheen de wolk boven de tuin. Een schaduw overdekte de tuin, heel kort maar, en alles werd weer licht. En dan begon de schaduw, die glijdend van links naar rechts de tuin had overdekt, van rechts naar links te glijden. De wolk had Aïché gezien en was op haar passen teruggekeerd om zich boven de tuin te installeren. Zo merkten Aiché, de haas en de duif de wolk op. De haas herkende de wolk. Ook de duif wist onmiddellijk dat het de wolk was die haar gered had, en sloeg zachtjes met de vleugels om te groeten. De wolk echter was niet in staat de haas of de duif op te merken. Want, of je nu mens bent of dier of wolk, van zodra je de jonge Aïché ziet, zie je alleen nog haar! De wolk liet een diepe zucht en zei zacht: "ach!"

Van de toppen van haar vingers zond Aïché een zoen naar de wolk. Toen deze zoen haar bereikte was de wolk er compleet ondersteboven van. Dan kwam ze weer tot zichzelf en nam de vorm aan van een immense roos. Nog nooit had men in de satijnblauwe hemel een zo mooie roos zien bloeien. Terwijl Aïché vol verrukking deze witte roos bewonderde, rekte de wolk zich uit, raapte zich bijeen en nam de vorm aan van een hart, 't is te zeggen zij werd weer wolk. Laten we kort zijn. Van die dag af liet de wolk de jonge Aïché niet meer alleen. Waar de jonge Aïché was, was ook de wolk. Laten we veronderstellen dat Aïché bezig was haar tuin te wieden, met de haas en met de witte duif op haar schouder, wel dan waakte de wolk hoog in de hemel over haar. Van zodra Aïché het zweet van haar voorhoofd veegde, haastte de wolk zich om zich voor de zon te plaatsen. En de tuin was vol schaduw. Nauwelijks was Aïché uitgerust en dacht: "Het is goed uit te rusten in de schaduw, maar de bloemen hebben zon nodig..." of de wolk nam de vorm aan van een chinese parasol, zodat de hele tuin zon kreeg, behalve Aïché, die mooi in de schaduw bleef.

Op een nacht zat de jonge Aïché voor haar huisje aan de rand van het vijvertje in haar tuin. Op haar schouder dommelde de duif en de haas sliep op haar knieën. In de hemel stonden sterren en de sikkelvormige maan, en in een hoek: de wolk. Aïché bewonderde hun weerschijn in het water van de vijver. De vijver was als een spiegel. Maar in deze spiegel hadden de sterren en de maan hun glans verloren. Aïché richtte de ogen naar de hemel. En ook daarboven schitterden de sterren en de maan nauwelijks. "Wat is er gebeurd? Waarom fonkelen ze niet?" vroeg Aïché zich af. Zoals altijd raadde de wolk de gedachten van Aïché. Meteen riep ze uit haar hoekje aan de hemel:
"Ze zijn een beetje stoffig geworden, maar ik ga ze onmiddellijk schoonmaken en opblinken."
De wolk nam de vorm aan van een enorme spons, liet zich vallen in de vijver, vulde zich, klom weer naar de hemel en zette zich aan het werk. Eerst de maan, dan de sterren. En sinds de sterren sterren waren en de maan maan, hadden ze nog nooit zo geschitterd! Aïché was heel tevreden en zei:
"Dank je, lieve wolk, ik hou erg veel van jou, mijn kleine wolk!"
Aïché stond op en ging haar huisje binnen. Ze was moe. De wolk daalde neer uit de hemel en plantte zich op de drempel van het huisje. Toen Aïché in bed lag, nam de wolk de vorm aan van een luit en zong, voor het raam van haar kamer, een slaapliedje :
Slaap, schoonheid, slaap,
uit de tuinen bracht ik jou de slaap
in je open ogen schijnen groen de bladeren
slaap, schoonheid, slaap
slaap zo diep je kan
do, do ...

Slaap, schoonheid, slaap,
van de sterren bracht ik jou de slaap
als een deken van donkerblauw fluweel
slaap, schoonheid, slaap
mijn hart waakt aan je hoofd
do, do ...

Terwijl de wolk dit slaapliedje zong voor het raam van Aïché, drong Seyfi de Zwarte de tuin binnen op de toppen van zijn tenen. Hij had een immens mes in de hand. Hij keek naar rechts, hij keek naar links - mensen die iets slechts willen doen, kijken altijd zo, naar rechts, naar links. Dan sneed hij de bloemen af. Elke tulp, elke roos, elke anjer liet een diepe zucht toen ze op de grond viel. Maar omdat de bloemen bloemen waren, was hun zucht zo licht dat niemand hen hoorde, behalve de andere bloemen.
Seyfi de Zwarte duwde zijn mes op de keel van een distel. De distel kon plotseling spreken:
"Heb medelijden" riep hij "ooit zal ik je een wederdienst bewijzen!"
Seyfi de Zwarte sneed de distel de keel niet over. Niet uit medelijden, maar omdat de distel hem ooit van dienst zou kunnen zijn.

Ondertussen was Aïché diep ingeslapen op de tonen van het slaapliedje dat de wolk voor haar zong. De wolk nam terug de vorm aan van een wolk en steeg weer naar de hemel. Ze wilde een blik werpen op de omgeving om daarna de wacht te betrekken op de drempel van het huis. Ze keek voor zich, ze keek achter zich, ze keek naar rechts, ze keek naar links: bergen en rotsen, wolven en vogels, alles was in diepe slaap. De wolk was ook moe, maar ze sperde de ogen open en wierp een laatste blik op de tuin. Toen zag ze Seyfi de Zwarte de bloemen afsnijden. Het bloed steeg haar naar het hoofd. "Gemene vent" riep ze. Ze nam direct de vorm aan van een hand, greep de maansikkel - ik zei reeds dat de maan precies de vorm van een sikkel had - stortte zich naar beneden en stak de punt van de maan-sikkel in de billen van Seyfi! Seyfi de Zwarte was totaal verbijsterd. Je zou het ook geweest zijn! Hij draaide zich om en wou zich met z'n mes verdedigen tegen de hand van de wolk en de sikkel van de maan. Maar zodra hij de sikkel raakte, viel het mes aan gruizelementen alsof het van glas was! De wolk liet de maansikkel los en vloog naar de hemel. De maansikkel vocht verder tegen Seyfi. De wolk trok de sterren van de hemel en liet ze regenen op de schedel van Seyfi de Zwarte. Wie had stand kunnen houden tegen zulke aanvallen - de sterren van boven en de sikkel van onderen? Seyfi maakte zich uit de voeten, als een hond met een pan aan de staart.

De volgende morgen, toen Aïché haar tuin omspitte, stuitte ze op de distel:
"Niet boos worden distel" zei ze "maar er is geen plaats voor jou in mijn tuin. Ga uit eigen beweging, of ik zal je moeten uittrekken en je aan de deur zetten."
"Ik verzet geen voet" antwoordde de distel "probeer maar, we zien wel of het je lukt."
Aïché trok zich niets aan van dit antwoord. Ze groef de aarde weg aan de voet van de distel, trok, en gooide hem over de haag. De distel kwam neer op de grond, veranderde in een slang en begon al kronkelend te kruipen over de stoffige weg.

Terwijl de slang voortkroop in het stof, verliep de tijd, kwam de avond, viel de nacht. Seyfi de Zwarte, gezeten op zijn paard, vatte post voor de poort van het tuintje. Met luidde stem wendde hij zich tot Aïché:
"Aïché, ik ben de rijkste man van de wereld, trouw met mij!"
"Het is niet met mij maar met mijn tuin dat je wil trouwen" antwoordde Aïché. "Ik verander nog liever in een stenen beeld dan jouw vrouw te worden!"
Seyfi de Zwarte maakte zich erg kwaad over dit antwoord. Hij richtte zich weer op, in het met zilver ingelegde zadel, om over de haag te springen. Maar de wolk had alles gevolgd vanuit de hoge hemel. Ze nam onmiddellijk de vorm aan van een afschrikwekkend spook. Ze stortte zich uit de hemel, recht op Seyfi de Zwarte. Die was zo bang dat hij zijn tong bijna inslikte. Hij zette zijn paard in volle galop. Het wolk-spook achtervolgde hem tot op de andere oever van de rivier. Dan ging het terug naar de tuin, veranderde zich in een grote herdershond met lange haren en legde zich aan de voeten van Aïché. Aïché knuffelde hem uitbundig. Ze overdekte hem met strelingen. "Dank je, lieve wolk!" zei ze. De wolk blafte verfijnd en kwispelde koket met z'n staart.

Laten we Aiché de wolk liefkozen, en keren we terug naar Seyfi de Zwarte. Op de andere oever van de rivier richtte de distel zich op voor Seyfi:.
"Dag Seyfi, Aïché heeft je verjaagd zoals ze mij verjaagd heeft! Neem mij op je paard en leid het waarheen ik zeg!"

Seyfi de Zwarte nam de distel op zijn paard en leidde het daar waar de distel hem zei. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. De distel liet Seyfi een zak kopen en een kruik. Hij plaatste de kruik rechts van het zadel, de zak links. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken opnieuw rivieren over en bergen en vlaktes, bossen en struiken. Door zo te stappen zonder een ogenblik rust, werd het paard mager als een draad in een naald. Op de vijftiende dag kwamen ze op een heide die zich uitstrekte tot aan de horizon. Op de dertigste dag omringden rotsen hen van alle kanten. De hitte was hels. De aarde barstte open. Nergens was er een schijn van schaduw te vinden. Op de vijfendertigste nacht restte er geen spoor meer van rotsen, zelfs niet van aarde. De woestijn strekte zich uit van oost naar west. Het paard raakte nauwelijks vooruit...

Op de veertigste dag zei de distel:
"We zijn er, dit is het Land van de Droogte, vul je zak met dit zand."
Seyfi de Zwarte steeg van zijn paard, dat nog slechts vel over been was. Hij vulde de zak met het zand van het Land van de Droogte. Dan laadde hij de zak op zijn paard en zette zich in het zadel. Het paard kon plots spreken:
"Medelijden, Seyfi, ik heb zelfs de kracht niet meer om te lopen, hoe zou ik dan ook nog deze zak met zand kunnen dragen?"
Seyfi kende geen medelijden. Hij sloeg het paard met zijn zweep. Het grijze paard zette zich hinkend weer op weg.
"En nu" verklaarde de distel "gaan we naar het Land van de Winden."

Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. Plots begon de wind zo hevig te blazen dat het onmogelijk was een stap vooruit te komen. Bomen doken op, hun wortels drongen door tot in de zevende diepte van de aarde, hun kruinen reikten tot in de zevende hemel. En hun kruinen en takken en bladeren bogen zich ruisend tot op de aarde om zich dan weer op te richten.
"Ik kan niet meer" zei Seyfi "mijn paard heeft de kracht niet meer om tegen de wind in te stappen. En ik ook niet."
"Geen sprake van stoppen, vooruit!" zei de distel.
Seyfi sloeg met zijn zweep op het paard dat bloed zweette. Het paard vocht tegen de wind die harder en harder blies. Zo ging Seyfi nog drie dagen en nog drie nachten.
Uiteindelijk bereikten ze een zee. De schuimende golven reikten hoog als zeven minaretten en braken op het strand met een oorverdovend gebulder, alsof de wereld verging.
"We zijn er" zei de distel "vul de kruik met de wind."
Seyfi de Zwarte draaide de kruik naar de wind. Huilend en loeiend vulde de wind de kruik. Snel sloot Seyfi de kruik af met een stuk leer dat hij stevig vastbond met de distel. Dan laadde hij de kruik op het paard en keerde terug. Met de wind in de rug leek het alsof het paard vleugels had.

Laten we Seyfi de Zwarte zijn weg vervolgen met de wind in de rug, en keren we terug aan de zijde van Aïché. Allen sliepen een diepe slaap: Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas aan haar voeten en de wolk buiten voor het raam.
Seyfi de Zwarte had in slechts drie dagen zijn reis van drieënveertig dagen volbracht, en kwam aan bij de tuin van Aïché. Hij steeg af, schouderde de zak, drong de tuin binnen en strooide het Zand van de Droogte uit over heel de tuin. Over de rozen, over de anjers, over de tulpen, over de bomen. Dan ging hij weg.

Laten we kort zijn: de ochtend brak aan. Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas aan haar voeten, de wolk onder het raam, allen ontwaakten ze door een hartverscheurend gekreun. Ze liepen naar de tuin. En wat zagen ze? De rozen, de anjers en de bomen werden geel, hun bladeren verschrompelden alsof ze in brand stonden en het water uit de vijver verdampte alsof er een gat was in de bodem. En allen jammerden en huilden met één stem: "Red ons Aïché, we verbleken, we worden geel, we verdrogen, we sterven, help ons Aïché!"

Aïché wist niet waar te beginnen. Ze rende van een roos met een verwelkte kraag naar een stervende tulp en van een stervende tulp naar een half verdroogde anjer. Hoog op zijn paard aan de andere kant van de haag grinnikte Seyfi de Zwarte van plezier en krabde met zijn zwarte nagels in zijn borstelige baard.
"Verkoop mij je tuin, Aïché, het is trouwens geen tuin meer, maar een kerkhof! Verkoop mij je tuin en maak dat je wegkomt!" riep Seyfi de Zwarte toen alle bloemen verwelkt op de grond lagen.
"Ik ga niet weg! Ik word nog liever begraven op dit kerkhof, naast mijn bloemen!"
antwoordde Aïché. En terwijl Aïché en Seyfi de Zwarte zo discussieerden, nam de wolk haar plaats hoog in de hemel weer in en bekeek wat er gebeurde.
Ze was zo verdrietig dat ze geen kracht meer had om haar mond open te doen of om een hand uit te steken. De duif vloog naar haar toe en zei:
"Lieve wolk, lieve wolk, kom Aïché toch helpen!"
De wolk zuchtte diep:
"Wat kan ik doen, hoe kan ik haar helpen? Ik ben nochtans bereid mijn leven te geven voor Aïché!"
"Wel, doe het dan!" antwoordde de duif, "wordt regen!"
"Maar natuurlijk" antwoordde de wolk, "waarom heb ik daar niet zelf aan gedacht?"
Zo gezegd, zo gedaan. De wolk offerde zich op en begon te regenen. Toen Seyfi de Zwarte dit zag, ontstak hij in zo'n woede dat hij pijlen afschoot in de richting van de wolk. Toen verhief zich de stem van de distel, die nog altijd rond de kruik gebonden was:
"Jouw pijlen kunnen niets tegen de wolk, maak me los, open de kruik!"
Seyfi opende de kruik en liet de wind los. De wind wierp zich huilend op de wolk.
"Let op, lieve wolk!" riep Aïché.
De wolk nam de vorm aan van een hart. De wind bonkte tegen dit hart, sloeg het aan stukken, of beter de wolk veranderde in duizend kleine hartjes. Van beneden brulde Seyfi de Zwarte naar de wind:
"Geen medelijden, verscheur ze!"
En van beneden riep de haas naar de wolk:
"Hou stand, lieve wolk!"
De duizend kleine hartjes vochten tegen de zotte wind en probeerden zich te herenigen. De duif bracht in haar snavel de hartjes die afgedreven waren weer bijeen, om zich te herenigen. Aïché en de haas, Seyfi de Zwarte, het grijs paard en de distel - iedereen volgde het gevecht met de neus in de lucht. De enen vuurden de wolk en de duif aan, de anderen de zotte wind. De duizend kleine hartjes slaagden erin zich te herenigen en werden weer één enkel, immens hart. Toen de distel dit zag, zei hij tegen Seyfi:
"Gooi mij naar de hemel."
Seyfi gooide de distel naar de hemel. De distel kleefde zich aan de wolk, die de vorm had van een hart, en begon haar bloed te zuigen. De zotte wind sloofde zich uit om de wolk uiteen te trekken. De witte duif pikte met zijn snavel naar de distel en brak hem in stukken. De brokstukken van de distel vielen neer aan de voeten van Seyfi. De wind raakte buiten adem, hij verzwakte. Seyfi was gek van woede. Aïché en de haas waren gek van vreugde...
Toen de zotte wind zich teruggetrokken had, nam de wolk daarboven in de hemel, de vorm aan van een oog en stortte tranen.
"Waarom huil je, lieve wolk?" vroeg de duif "huil je om jezelf?"
"Neen" antwoorde de wolk "ik wil nog altijd mijn leven geven voor Aïché, maar ik huil omdat ik Aïché ga verlaten!"
En de wolk veranderde zich in regen, en het regende dat het goot. In de tuin richtten de bloemen hun kop weer op, ze herademden en kregen hun kleuren terug. De jonge Aïché daarentegen veegde wenend haar tranen weg en huilde:
"Lieve wolk, sterf niet, genoeg... sterf niet!"
De regen verdubbelde in kracht. Seyfi de Zwarte raakte doordrenkt tot op zijn vel. Hij klappertandde van woede en van kou.

Laten we even de wolk en Aïché en Seyfi de Zwarte, en kijken we waar de duif gebleven is. De duif achtervolgde de zotte wind, die zich schaamde voor haar nederlaag. De duif haalde de wind in op de top van een berg.
"Lieve wind" zei ze "Seyfi heeft je belachelijk gemaakt. Hij wou je kracht en je energie misbruiken voor een onrechtvaardige zaak. Daarom kon je niet winnen van een wolk. Wil je je niet wreken? Wil je Seyfi de Zwarte geen rekenschap vragen?"
Van zodra hij deze woorden hoorde, keerde de zotte wind op zijn passen terug. Loeiend gooide hij zich op Seyfi, wierp stofwolken op, trok hem van zijn rijdier, gooide hem in de lucht, smeet hem tegen de vlakte. Seyfi wou zich weer in het zadel hijsen, maar toen zei het paard:
"Had jij ooit medelijden met mij? Waarom zou ik medelijden hebben met jou?"
En hij sloeg met de poten naar Seyfi, die tegen de vlakte ging. De zotte wind joeg Seyfi als een herfstblad voor zich uit, duwde hem, achtervolgde hem, sleepte hem ver weg en gooide hem in het diepste van een afgrond.

Laten we Seyfi de Zwarte in de afgrond rollen en keren we terug naar de tuin van Aïché. Alle bloemen schitterden, alle bomen stonden weer in bloei. Aïché vertoefde aan de rand van de vijver, de duif op haar linkerschouder, de haas aan haar voeten. De lucht was blauw, stralend van de zon. Iedereen was gelukkig, behalve Aïché.
"M'n kleine Aïché, waarom ben je zo verdrietig?" vroeg de witte duif.
"Die lieve wolk heeft mijn bloemen gered, ze heeft mij gered, ze heeft ons allemaal gered, maar zij is zelf gestorven. Ze heeft zich opgeofferd voor ons... Daarom ben ik verdrietig" antwoorde Aïché.
Aïché zuchtte, en tranen liepen als parels uit haar blauwgroene ogen, en gleden in de vijver.
"Wees toch niet verdrietig zonder reden" zei de haas. "Dappere mensen, dappere dieren en goede wolken verdwijnen niet. Zij die liefhebben sterven niet. Kijk toch naar de vijver!"
Aïché keek op. En onder de gouden zonnestralen steeg een blauwe nevel op uit de vijver vol regenwater...

Kortom, de wolk verscheen weer aan de blauwe hemel. Ze werd groter en groter. Ze keek naar Aïché, ze keek naar de tuin, ze werd een mond. Een reusachtige mond die glimlachte. Zo kwam alles weer goed in het Land van de Fluit. De moedige mensen vonden het geluk, en de slechte werden verdreven.

En het sprookje dat de fluit van de derwisj vertelde, nam een einde. De derwisj ging weg, de fluit in zijn gordel.

De derwisj ging zitten aan de voet van de cypres, haalde uit zijn gordel een fluit en begon te spelen. Uit de gaatjes van de fluit stegen bomen op. Alsof ze in de fluit zaten en verschenen naarmate de derwisj blies. Bergen stegen op, en rivieren, en wegen. En de bomen, de bergen, de rivieren en de wegen kwamen neer aan de andere kant van de wereld, midden in een woestijn. De bergen en de bomen richtten zich op, de rivieren begonnen te stromen en de wegen strekten zich uit. Men noemde dit land het Land van de Fluit.

De derwisj nam adem en begon opnieuw fluit te spelen. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een man op met zwarte baard, arendsneus en grote uitpuilende ogen. Hij maakte één of twee bokkesprongen en kwam terecht naast de derwisj. De man heette Seyfi. Seyfi de Zwarte. Seyfi de Zwarte keek naar rechts, keek naar links, stak zijn hand in de zak van de derwisj, pikte zijn beurs en ging er van door. De derwisj nam een steen, mikte en gooide. De steen trof Seyfi de Zwarte zo hard dat hij opstuiterde als een bal en terechtkwam aan de andere kant van de wereld, op de top van een berg in het Land van de Fluit. Of liever, hij kwam terecht op het met zilver ingelegd zadel van een grijs paard op de top van de berg. Seyfi de Zwarte nestelde zich in het zadel en bekeek de omgeving. Kudden schapen daalden naar het dal. Die kudden waren van hem. Op de flank van de berg graasde een bonte mengeling paarden met wilde manen als van leeuwen. Ook die paarden waren van hem. Beneden gingen karavanen op weg, kamelen beladen met kruiden, koffie, zijde en ivoor. Die karavanen waren van hem. Zover de blik reikte, strekten zich velden uit met tarwe, rogge en katoen. En die velden waren van hem. Kortom, Seyfi de Zwarte was de rijkste man van het Land van de Fluit.

Op zijn grijs paard, helemaal op de top van de berg, keek Seyfi de Zwarte om zich heen. Zijn uitpuilende ogen schitterden van hebzucht. Zijn baard met zwarte haren en borstelig als kreupelhout trilde ervan. Maar laten we Seyfi de Zwarte waar hij is en keren we terug naar de derwisj, aan de voet van de cypres. Uit een van de gaatjes van de fluit, waarop de derwisj nog altijd speelde, steeg een jong meisje op. Delicaat streek ze neer naast de derwisj. Het was het mooiste meisje van de wereld. Haar gouden haren vielen tot op haar hielen. Haar gezicht was mooi als de groeiende maan. De zwarte wimpers van haar blauwgroene ogen waren lang en helemaal gekruld. Het jonge meisje was nauwelijks vijftien. En ze heette Aïché...

Aïché zoende de hand van de derwisj, en ging eerbiedig voor hem staan.
"Ik wacht op jouw bevelen, vader derwisj" zei ze. "Als ik iets voor jou kan doen... Als je honger hebt, zal ik soep voor je klaarmaken, en als je moe bent, zal ik je bed spreiden."
De derwisj glimlachte:
"Dank je, kleine Aïché. Maar ik heb geen honger en ik ben niet moe."

Hij streelde de schouder van Aïché. En Aïché steeg op in de lucht, zacht wiegend als een veer. Ze vloog ver weg en streek neer op de tak van een appelboom die in bloei stond, aan de andere kant van de wereld, in het land van de fluit. Waren de bloesems het mooist, of was het Aïché? Als je het mij vraagt, dan was de jonge Aïché nog mooier dan de bloesems van de appelboom. Ze keek rond, dóór de bloesems van de appelboom. De appelboom stond in een tuin. En deze tuin was van de jonge Aïché. De rozen stonden er in bloei, roze, rode, gele, witte; pomponrozen en stokrozen. Er bloeiden tulpen in alle vormen, en een overdaad aan anjers.

Aïché daalde af van de tak van de appelboom, nam een gieter en begon de bloemen te begieten. Een haag omheinde de tuin. In volle galop kwam Seyfi de Zwarte er aan, stopte voor het portaal, schreeuwde over de haag:
"Hola, Aïché, hola!"
Aïché zette haar gieter neer en zei:
"Bent u daar wéér? "
Seyfi de Zwarte liet zijn zware stem zwellen:
"Ik ben daar weer, en ik zal elke dag terugkomen tot je me de tuin verkoopt, dat de duivel hem uitdroogt!"
"Ik ben niet van plan mijn tuin te verkopen, niet aan u, en ook niet aan iemand anders. Ik heb het u al zo dikwijls gezegd!" antwoordde Aïché met haar stem die zachter klonk dan het gesjilp van vogels.
Seyfi de Zwarte sloeg met zijn rijzweep met zilveren handvat op de haag en begon te brullen:
"Alles is van mij in dit land, alles behalve jouw tuin, dat de duivel hem uitdroogt. Deze tuin is als een zwarte doorn pal in het midden van mijn domeinen. Ik zal hem er uiteindelijk wel uittrekken, deze tuin, dat de duivel hem uitdroogt..."

Seyfi de Zwarte kon zijn zin niet afmaken. Zijn paard was beginnen hinniken en met de poten slaan. Seyfi de Zwarte donderde op de grond. Wat was er gebeurd? Terwijl Seyfi de Zwarte, geplant op zijn paard aan de andere kant van de haag, tegen de jonge Aïché schreeuwde, beet een haas in één van de poten van het paard. De haas beet tot het paard zo hard begon te hinniken en te stampen van de pijn, dat Seyfi de Zwarte op de grond plofte. En er gebeurde nog meer. Terwijl Seyfi brullend van de pijn rondtolde in het stof, terwijl de haas verschrikt op de vlucht sloeg, vloog een witte duif op uit de tuin van Aïché. Ze ging recht boven Seyfi de Zwarte vliegen, mikte zorgvuldig en scheet hem precies tussen de ogen. Seyfi de Zwarte werd zo kwaad dat hij zijn pijn vergat en rechtsprong. Hij legde een pijl op zijn boog en mikte naar de duif. Toen Aïché dit zag slaakte ze een kreet. De duif vluchtte klapwiekend. Seyfi de Zwarte sprong op zijn paard en stortte zich in de achtervolging... Maar laten we Seyfi de Zwarte de witte duif achtervolgen en keren we terug naar de derwisj.

Geleund tegen de cypres speelde de derwisj fluit. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een wolk op. De derwisj speelde verder en de wolk steeg hoger en hoger. Als een lam dat graast op hemelse weiden, dwaalde de wolk naar het Land van de Fluit, helemaal aan de andere kant van de wereld. Toen ze over de grens van het Land van de Fluit vloog, bemerkte zij beneden tussen het koren een haas die zijn snorharen gladstreek. Het was de haas die gebeten had in de poot van het paard van Seyfi de Zwarte. De haas keek op en zag de wolk. De manier waarop de haas zijn snorharen gladstreek beviel de wolk zo zeer dat zij in een lach schoot. De haas begreep er niets van. Het was de eerste keer dat hij een wolk zag lachen. Dat verwonderde hem zeer, maar het behaagde hem ook. Laten we kort zijn. Terwijl de haas en de wolk zo kennismaakten, had Seyfi de Zwarte zijn paard gestopt op de top van een heuvel. Hij zocht de hemel af naar de witte duif die hem tussen de wenkbrauwen had gescheten. Daar zag hij haar. Hij spande zijn boog en mikte. Precies op dat ogenblik kwam de wolk aan bij de duif. De wolk zag wat er gebeurde en fronste de wenkbrauwen. Dan liet zij zich op Seyfi vallen en omhulde hem van alle kanten. Seyfi de Zwarte wist niet meer wat doen in deze witte nevel die hem verblindde. Hij begon te niezen en te hoesten. De duif maakte zich klapwiekend uit de voeten. De wolk was gelukkig dat de duif gered was. Ze liet Seyfi de Zwarte voor wat hij was, raapte zich bijeen, steeg weer naar de hemel en vervolgde haar weg. Ze dwaalde wat naar hier, ze dwaalde wat naar daar, ze stak rivieren over, ze stak bergen over, ze passeerde pal boven de tuin van Aïché.

Uitgestrekt tussen de tulpen van haar tuin keek Aïché naar de hemel. Aan haar rechterzijde zat de haas en op haar linkerschouder de witte duif, die juist ontsnapt was aan Seyfi de Zwarte. Het licht van de hemel vulde de blauwgroene ogen van Aïché. Haar gouden haren schitterden. Met één hand speelde ze met de lange oren van de haas die aan haar rechterzijde zat en met de andere streelde ze de duif. Precies op dat ogenblik verscheen de wolk boven de tuin. Een schaduw overdekte de tuin, heel kort maar, en alles werd weer licht. En dan begon de schaduw, die glijdend van links naar rechts de tuin had overdekt, van rechts naar links te glijden. De wolk had Aïché gezien en was op haar passen teruggekeerd om zich boven de tuin te installeren. Zo merkten Aiché, de haas en de duif de wolk op. De haas herkende de wolk. Ook de duif wist onmiddellijk dat het de wolk was die haar gered had, en sloeg zachtjes met de vleugels om te groeten. De wolk echter was niet in staat de haas of de duif op te merken. Want, of je nu mens bent of dier of wolk, van zodra je de jonge Aïché ziet, zie je alleen nog haar! De wolk liet een diepe zucht en zei zacht: "ach!"

Van de toppen van haar vingers zond Aïché een zoen naar de wolk. Toen deze zoen haar bereikte was de wolk er compleet ondersteboven van. Dan kwam ze weer tot zichzelf en nam de vorm aan van een immense roos. Nog nooit had men in de satijnblauwe hemel een zo mooie roos zien bloeien. Terwijl Aïché vol verrukking deze witte roos bewonderde, rekte de wolk zich uit, raapte zich bijeen en nam de vorm aan van een hart, 't is te zeggen zij werd weer wolk. Laten we kort zijn. Van die dag af liet de wolk de jonge Aïché niet meer alleen. Waar de jonge Aïché was, was ook de wolk. Laten we veronderstellen dat Aïché bezig was haar tuin te wieden, met de haas en met de witte duif op haar schouder, wel dan waakte de wolk hoog in de hemel over haar. Van zodra Aïché het zweet van haar voorhoofd veegde, haastte de wolk zich om zich voor de zon te plaatsen. En de tuin was vol schaduw. Nauwelijks was Aïché uitgerust en dacht: "Het is goed uit te rusten in de schaduw, maar de bloemen hebben zon nodig..." of de wolk nam de vorm aan van een chinese parasol, zodat de hele tuin zon kreeg, behalve Aïché, die mooi in de schaduw bleef.

Op een nacht zat de jonge Aïché voor haar huisje aan de rand van het vijvertje in haar tuin. Op haar schouder dommelde de duif en de haas sliep op haar knieën. In de hemel stonden sterren en de sikkelvormige maan, en in een hoek: de wolk. Aïché bewonderde hun weerschijn in het water van de vijver. De vijver was als een spiegel. Maar in deze spiegel hadden de sterren en de maan hun glans verloren. Aïché richtte de ogen naar de hemel. En ook daarboven schitterden de sterren en de maan nauwelijks. "Wat is er gebeurd? Waarom fonkelen ze niet?" vroeg Aïché zich af. Zoals altijd raadde de wolk de gedachten van Aïché. Meteen riep ze uit haar hoekje aan de hemel:
"Ze zijn een beetje stoffig geworden, maar ik ga ze onmiddellijk schoonmaken en opblinken."
De wolk nam de vorm aan van een enorme spons, liet zich vallen in de vijver, vulde zich, klom weer naar de hemel en zette zich aan het werk. Eerst de maan, dan de sterren. En sinds de sterren sterren waren en de maan maan, hadden ze nog nooit zo geschitterd! Aïché was heel tevreden en zei:
"Dank je, lieve wolk, ik hou erg veel van jou, mijn kleine wolk!"
Aïché stond op en ging haar huisje binnen. Ze was moe. De wolk daalde neer uit de hemel en plantte zich op de drempel van het huisje. Toen Aïché in bed lag, nam de wolk de vorm aan van een luit en zong, voor het raam van haar kamer, een slaapliedje :
Slaap, schoonheid, slaap,
uit de tuinen bracht ik jou de slaap
in je open ogen schijnen groen de bladeren
slaap, schoonheid, slaap
slaap zo diep je kan
do, do ...

Slaap, schoonheid, slaap,
van de sterren bracht ik jou de slaap
als een deken van donkerblauw fluweel
slaap, schoonheid, slaap
mijn hart waakt aan je hoofd
do, do ...

Terwijl de wolk dit slaapliedje zong voor het raam van Aïché, drong Seyfi de Zwarte de tuin binnen op de toppen van zijn tenen. Hij had een immens mes in de hand. Hij keek naar rechts, hij keek naar links - mensen die iets slechts willen doen, kijken altijd zo, naar rechts, naar links. Dan sneed hij de bloemen af. Elke tulp, elke roos, elke anjer liet een diepe zucht toen ze op de grond viel. Maar omdat de bloemen bloemen waren, was hun zucht zo licht dat niemand hen hoorde, behalve de andere bloemen.
Seyfi de Zwarte duwde zijn mes op de keel van een distel. De distel kon plotseling spreken:
"Heb medelijden" riep hij "ooit zal ik je een wederdienst bewijzen!"
Seyfi de Zwarte sneed de distel de keel niet over. Niet uit medelijden, maar omdat de distel hem ooit van dienst zou kunnen zijn.

Ondertussen was Aïché diep ingeslapen op de tonen van het slaapliedje dat de wolk voor haar zong. De wolk nam terug de vorm aan van een wolk en steeg weer naar de hemel. Ze wilde een blik werpen op de omgeving om daarna de wacht te betrekken op de drempel van het huis. Ze keek voor zich, ze keek achter zich, ze keek naar rechts, ze keek naar links: bergen en rotsen, wolven en vogels, alles was in diepe slaap. De wolk was ook moe, maar ze sperde de ogen open en wierp een laatste blik op de tuin. Toen zag ze Seyfi de Zwarte de bloemen afsnijden. Het bloed steeg haar naar het hoofd. "Gemene vent" riep ze. Ze nam direct de vorm aan van een hand, greep de maansikkel - ik zei reeds dat de maan precies de vorm van een sikkel had - stortte zich naar beneden en stak de punt van de maan-sikkel in de billen van Seyfi! Seyfi de Zwarte was totaal verbijsterd. Je zou het ook geweest zijn! Hij draaide zich om en wou zich met z'n mes verdedigen tegen de hand van de wolk en de sikkel van de maan. Maar zodra hij de sikkel raakte, viel het mes aan gruizelementen alsof het van glas was! De wolk liet de maansikkel los en vloog naar de hemel. De maansikkel vocht verder tegen Seyfi. De wolk trok de sterren van de hemel en liet ze regenen op de schedel van Seyfi de Zwarte. Wie had stand kunnen houden tegen zulke aanvallen - de sterren van boven en de sikkel van onderen? Seyfi maakte zich uit de voeten, als een hond met een pan aan de staart.

De volgende morgen, toen Aïché haar tuin omspitte, stuitte ze op de distel:
"Niet boos worden distel" zei ze "maar er is geen plaats voor jou in mijn tuin. Ga uit eigen beweging, of ik zal je moeten uittrekken en je aan de deur zetten."
"Ik verzet geen voet" antwoordde de distel "probeer maar, we zien wel of het je lukt."
Aïché trok zich niets aan van dit antwoord. Ze groef de aarde weg aan de voet van de distel, trok, en gooide hem over de haag. De distel kwam neer op de grond, veranderde in een slang en begon al kronkelend te kruipen over de stoffige weg.

Terwijl de slang voortkroop in het stof, verliep de tijd, kwam de avond, viel de nacht. Seyfi de Zwarte, gezeten op zijn paard, vatte post voor de poort van het tuintje. Met luidde stem wendde hij zich tot Aïché:
"Aïché, ik ben de rijkste man van de wereld, trouw met mij!"
"Het is niet met mij maar met mijn tuin dat je wil trouwen" antwoordde Aïché. "Ik verander nog liever in een stenen beeld dan jouw vrouw te worden!"
Seyfi de Zwarte maakte zich erg kwaad over dit antwoord. Hij richtte zich weer op, in het met zilver ingelegde zadel, om over de haag te springen. Maar de wolk had alles gevolgd vanuit de hoge hemel. Ze nam onmiddellijk de vorm aan van een afschrikwekkend spook. Ze stortte zich uit de hemel, recht op Seyfi de Zwarte. Die was zo bang dat hij zijn tong bijna inslikte. Hij zette zijn paard in volle galop. Het wolk-spook achtervolgde hem tot op de andere oever van de rivier. Dan ging het terug naar de tuin, veranderde zich in een grote herdershond met lange haren en legde zich aan de voeten van Aïché. Aïché knuffelde hem uitbundig. Ze overdekte hem met strelingen. "Dank je, lieve wolk!" zei ze. De wolk blafte verfijnd en kwispelde koket met z'n staart.

Laten we Aiché de wolk liefkozen, en keren we terug naar Seyfi de Zwarte. Op de andere oever van de rivier richtte de distel zich op voor Seyfi:.
"Dag Seyfi, Aïché heeft je verjaagd zoals ze mij verjaagd heeft! Neem mij op je paard en leid het waarheen ik zeg!"

Seyfi de Zwarte nam de distel op zijn paard en leidde het daar waar de distel hem zei. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. De distel liet Seyfi een zak kopen en een kruik. Hij plaatste de kruik rechts van het zadel, de zak links. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken opnieuw rivieren over en bergen en vlaktes, bossen en struiken. Door zo te stappen zonder een ogenblik rust, werd het paard mager als een draad in een naald. Op de vijftiende dag kwamen ze op een heide die zich uitstrekte tot aan de horizon. Op de dertigste dag omringden rotsen hen van alle kanten. De hitte was hels. De aarde barstte open. Nergens was er een schijn van schaduw te vinden. Op de vijfendertigste nacht restte er geen spoor meer van rotsen, zelfs niet van aarde. De woestijn strekte zich uit van oost naar west. Het paard raakte nauwelijks vooruit...

Op de veertigste dag zei de distel:
"We zijn er, dit is het Land van de Droogte, vul je zak met dit zand."
Seyfi de Zwarte steeg van zijn paard, dat nog slechts vel over been was. Hij vulde de zak met het zand van het Land van de Droogte. Dan laadde hij de zak op zijn paard en zette zich in het zadel. Het paard kon plots spreken:
"Medelijden, Seyfi, ik heb zelfs de kracht niet meer om te lopen, hoe zou ik dan ook nog deze zak met zand kunnen dragen?"
Seyfi kende geen medelijden. Hij sloeg het paard met zijn zweep. Het grijze paard zette zich hinkend weer op weg.
"En nu" verklaarde de distel "gaan we naar het Land van de Winden."

Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. Plots begon de wind zo hevig te blazen dat het onmogelijk was een stap vooruit te komen. Bomen doken op, hun wortels drongen door tot in de zevende diepte van de aarde, hun kruinen reikten tot in de zevende hemel. En hun kruinen en takken en bladeren bogen zich ruisend tot op de aarde om zich dan weer op te richten.
"Ik kan niet meer" zei Seyfi "mijn paard heeft de kracht niet meer om tegen de wind in te stappen. En ik ook niet."
"Geen sprake van stoppen, vooruit!" zei de distel.
Seyfi sloeg met zijn zweep op het paard dat bloed zweette. Het paard vocht tegen de wind die harder en harder blies. Zo ging Seyfi nog drie dagen en nog drie nachten.
Uiteindelijk bereikten ze een zee. De schuimende golven reikten hoog als zeven minaretten en braken op het strand met een oorverdovend gebulder, alsof de wereld verging.
"We zijn er" zei de distel "vul de kruik met de wind."
Seyfi de Zwarte draaide de kruik naar de wind. Huilend en loeiend vulde de wind de kruik. Snel sloot Seyfi de kruik af met een stuk leer dat hij stevig vastbond met de distel. Dan laadde hij de kruik op het paard en keerde terug. Met de wind in de rug leek het alsof het paard vleugels had.

Laten we Seyfi de Zwarte zijn weg vervolgen met de wind in de rug, en keren we terug aan de zijde van Aïché. Allen sliepen een diepe slaap: Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas aan haar voeten en de wolk buiten voor het raam.
Seyfi de Zwarte had in slechts drie dagen zijn reis van drieënveertig dagen volbracht, en kwam aan bij de tuin van Aïché. Hij steeg af, schouderde de zak, drong de tuin binnen en strooide het Zand van de Droogte uit over heel de tuin. Over de rozen, over de anjers, over de tulpen, over de bomen. Dan ging hij weg.

Laten we kort zijn: de ochtend brak aan. Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas aan haar voeten, de wolk onder het raam, allen ontwaakten ze door een hartverscheurend gekreun. Ze liepen naar de tuin. En wat zagen ze? De rozen, de anjers en de bomen werden geel, hun bladeren verschrompelden alsof ze in brand stonden en het water uit de vijver verdampte alsof er een gat was in de bodem. En allen jammerden en huilden met één stem: "Red ons Aïché, we verbleken, we worden geel, we verdrogen, we sterven, help ons Aïché!"

Aïché wist niet waar te beginnen. Ze rende van een roos met een verwelkte kraag naar een stervende tulp en van een stervende tulp naar een half verdroogde anjer. Hoog op zijn paard aan de andere kant van de haag grinnikte Seyfi de Zwarte van plezier en krabde met zijn zwarte nagels in zijn borstelige baard.
"Verkoop mij je tuin, Aïché, het is trouwens geen tuin meer, maar een kerkhof! Verkoop mij je tuin en maak dat je wegkomt!" riep Seyfi de Zwarte toen alle bloemen verwelkt op de grond lagen.
"Ik ga niet weg! Ik word nog liever begraven op dit kerkhof, naast mijn bloemen!"
antwoordde Aïché. En terwijl Aïché en Seyfi de Zwarte zo discussieerden, nam de wolk haar plaats hoog in de hemel weer in en bekeek wat er gebeurde.
Ze was zo verdrietig dat ze geen kracht meer had om haar mond open te doen of om een hand uit te steken. De duif vloog naar haar toe en zei:
"Lieve wolk, lieve wolk, kom Aïché toch helpen!"
De wolk zuchtte diep:
"Wat kan ik doen, hoe kan ik haar helpen? Ik ben nochtans bereid mijn leven te geven voor Aïché!"
"Wel, doe het dan!" antwoordde de duif, "wordt regen!"
"Maar natuurlijk" antwoordde de wolk, "waarom heb ik daar niet zelf aan gedacht?"
Zo gezegd, zo gedaan. De wolk offerde zich op en begon te regenen. Toen Seyfi de Zwarte dit zag, ontstak hij in zo'n woede dat hij pijlen afschoot in de richting van de wolk. Toen verhief zich de stem van de distel, die nog altijd rond de kruik gebonden was:
"Jouw pijlen kunnen niets tegen de wolk, maak me los, open de kruik!"
Seyfi opende de kruik en liet de wind los. De wind wierp zich huilend op de wolk.
"Let op, lieve wolk!" riep Aïché.
De wolk nam de vorm aan van een hart. De wind bonkte tegen dit hart, sloeg het aan stukken, of beter de wolk veranderde in duizend kleine hartjes. Van beneden brulde Seyfi de Zwarte naar de wind:
"Geen medelijden, verscheur ze!"
En van beneden riep de haas naar de wolk:
"Hou stand, lieve wolk!"
De duizend kleine hartjes vochten tegen de zotte wind en probeerden zich te herenigen. De duif bracht in haar snavel de hartjes die afgedreven waren weer bijeen, om zich te herenigen. Aïché en de haas, Seyfi de Zwarte, het grijs paard en de distel - iedereen volgde het gevecht met de neus in de lucht. De enen vuurden de wolk en de duif aan, de anderen de zotte wind. De duizend kleine hartjes slaagden erin zich te herenigen en werden weer één enkel, immens hart. Toen de distel dit zag, zei hij tegen Seyfi:
"Gooi mij naar de hemel."
Seyfi gooide de distel naar de hemel. De distel kleefde zich aan de wolk, die de vorm had van een hart, en begon haar bloed te zuigen. De zotte wind sloofde zich uit om de wolk uiteen te trekken. De witte duif pikte met zijn snavel naar de distel en brak hem in stukken. De brokstukken van de distel vielen neer aan de voeten van Seyfi. De wind raakte buiten adem, hij verzwakte. Seyfi was gek van woede. Aïché en de haas waren gek van vreugde...
Toen de zotte wind zich teruggetrokken had, nam de wolk daarboven in de hemel, de vorm aan van een oog en stortte tranen.
"Waarom huil je, lieve wolk?" vroeg de duif "huil je om jezelf?"
"Neen" antwoorde de wolk "ik wil nog altijd mijn leven geven voor Aïché, maar ik huil omdat ik Aïché ga verlaten!"
En de wolk veranderde zich in regen, en het regende dat het goot. In de tuin richtten de bloemen hun kop weer op, ze herademden en kregen hun kleuren terug. De jonge Aïché daarentegen veegde wenend haar tranen weg en huilde:
"Lieve wolk, sterf niet, genoeg... sterf niet!"
De regen verdubbelde in kracht. Seyfi de Zwarte raakte doordrenkt tot op zijn vel. Hij klappertandde van woede en van kou.

Laten we even de wolk en Aïché en Seyfi de Zwarte, en kijken we waar de duif gebleven is. De duif achtervolgde de zotte wind, die zich schaamde voor haar nederlaag. De duif haalde de wind in op de top van een berg.
"Lieve wind" zei ze "Seyfi heeft je belachelijk gemaakt. Hij wou je kracht en je energie misbruiken voor een onrechtvaardige zaak. Daarom kon je niet winnen van een wolk. Wil je je niet wreken? Wil je Seyfi de Zwarte geen rekenschap vragen?"
Van zodra hij deze woorden hoorde, keerde de zotte wind op zijn passen terug. Loeiend gooide hij zich op Seyfi, wierp stofwolken op, trok hem van zijn rijdier, gooide hem in de lucht, smeet hem tegen de vlakte. Seyfi wou zich weer in het zadel hijsen, maar toen zei het paard:
"Had jij ooit medelijden met mij? Waarom zou ik medelijden hebben met jou?"
En hij sloeg met de poten naar Seyfi, die tegen de vlakte ging. De zotte wind joeg Seyfi als een herfstblad voor zich uit, duwde hem, achtervolgde hem, sleepte hem ver weg en gooide hem in het diepste van een afgrond.

Laten we Seyfi de Zwarte in de afgrond rollen en keren we terug naar de tuin van Aïché. Alle bloemen schitterden, alle bomen stonden weer in bloei. Aïché vertoefde aan de rand van de vijver, de duif op haar linkerschouder, de haas aan haar voeten. De lucht was blauw, stralend van de zon. Iedereen was gelukkig, behalve Aïché.
"M'n kleine Aïché, waarom ben je zo verdrietig?" vroeg de witte duif.
"Die lieve wolk heeft mijn bloemen gered, ze heeft mij gered, ze heeft ons allemaal gered, maar zij is zelf gestorven. Ze heeft zich opgeofferd voor ons... Daarom ben ik verdrietig" antwoorde Aïché.
Aïché zuchtte, en tranen liepen als parels uit haar blauwgroene ogen, en gleden in de vijver.
"Wees toch niet verdrietig zonder reden" zei de haas. "Dappere mensen, dappere dieren en goede wolken verdwijnen niet. Zij die liefhebben sterven niet. Kijk toch naar de vijver!"
Aïché keek op. En onder de gouden zonnestralen steeg een blauwe nevel op uit de vijver vol regenwater...

Kortom, de wolk verscheen weer aan de blauwe hemel. Ze werd groter en groter. Ze keek naar Aïché, ze keek naar de tuin, ze werd een mond. Een reusachtige mond die glimlachte. Zo kwam alles weer goed in het Land van de Fluit. De moedige mensen vonden het geluk, en de slechte werden verdreven.

En het sprookje dat de fluit van de derwisj vertelde, nam een einde. De derwisj ging weg, de fluit in zijn gordel.

Nâzim Hikmet
Nederlands & bewerking: Philip Demeester

 
 
the art of involvement / de kunst van het engagement
 
home | ©2006 Philip Demeester & Amana Dance Theatre